Met Jehovah’s Getuigen in gesprek gaan kan soms best wel lastig zijn.  Dikwijls is het moeilijk om nu net datgene aan te duiden wat hun leer tot een dwaalleer maakt.  Dat God de Schepper is van hemel en aarde zullen zij mogelijk al aanhalen voordat het in jouw gedachten opkomt.  Dat deze aarde geregeerd wordt door satan en het naar het einde toe alsmaar slechter zal gaan is hun stokpaardje. ‘Jezus is onze Verlosser’, zullen zij antwoorden met ‘Amen!’ en ‘Jezus is God’, zullen zij op een of andere manier beamen.  Ook dat er zonder Jezus geen hoop is voor de mensheid wordt al knikkend bevestigd.  Kortom, het is moeilijk om doorheen hun betoog te prikken.  We mogen dan ook wel stellen dat ze goed voorbereid voor je deur staan.

Hoe kan je naar hun toe dan best je geloof verdedigen wanneer de situatie dit toelaat?  Een van de dingen die je alvast beter kan vermijden is een discussie aangaan over wat er nu wel of niet in de grondtekst wordt geschreven.  Tenzij je hierin goed bent onderlegd, is zulk een discussie gedoemd om uit te lopen in een nutteloze twist.  Hierbij kan je in het beste geval de discussie op zich winnen, maar zal je allerminst het hart van de persoon tegenover je kunnen winnen.  En in de meeste gevallen verbrand je eerder je eigen vingers en loop je tegen je eigen onkunde aan.

Twee fundamentele principes

Om een nuttige discussie met hun aan te gaan is het goed om je te richten naar de twee fundamentele principes die de kern van hun leer vormen:

  1. Het gezag van de Bijbel
  2. Jehovah’s naam zuiveren en in eer herstellen

Het gezag van de Bijbel

De Jehovah’s getuigen (JG) erkennen de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God en belijden dat heel hun leer hieraan onderworpen is.  Ze aanvaarden de hele Bijbel en beweren de enige groep gelovigen te zijn die recht doet aan hetgeen de Bijbel onderwijst.  Hun oprichter, Charles Russell, zei uitdrukkelijk dat hij uit zichzelf geen gezag, superioriteit of bovennatuurlijke krachten heeft.  Dit is wat de JG tot op de dag van vandaag nog steeds verkondigen, dat de Bijbel hun enige bron van gezag is.  Toch neemt deze beweging in de praktijk de rol op van de onfeilbare vertolker van het onfeilbare Woord. Dat was ook al het geval bij Russell die in zijn ‘Studies in de Schriften’ stelde dat het beter was om de Bijbel dicht te laten en zijn studies te lezen, dan om in de Bijbel te lezen en zijn studies te negeren.  Zijn opvolger Joseph Rutherford waarschuwde nochtans ‘dat het voor de mensen absoluut onveilig is om te vertrouwen op de woorden en de leer van onvolmaakte mensen’.  Niettemin gedraagt de JG organisatie zich als uiterst gezaghebbend.  Verschillen in visies worden eenvoudigweg niet getolereerd en zij die op een of andere manier van de leerstellingen durven afwijken, worden al gauw hun lidmaatschap ontnomen.  Hun bewering zich te onderwerpen aan het gezag van de Bijbel verliest dan ook in kracht doordat ze in de praktijk door het leven gaan als de onfeilbare vertolker ervan.  Het recht om door eigen onderzoek van de Bijbel tot een conclusie te komen wordt, om praktische redenen, ontzegd doordat iedere JG zich moet onderwerpen aan de hiërarchy, of beter gezegd aan degene die aan het hoofd staat van de hiërarchy.

Dit fundamenteel principe, het gezag van de Bijbel, dat één van de kernwaarden van de organisatie vormt, wordt hierdoor ook haar meest kwetsbare punt om deze theologie te weerleggen.  Haar interpretatie van de Bijbel zit zo met haken en ogen in elkaar dat het niet veel studie vraagt om vanuit de Bijbel aan te tonen dat ze niet waar is.  Om dit te kunnen doen moet je, alvorens in gesprek te gaan, de JG wel eerst laten erkennen dat de Bijbel het enige gezag vormt en dat degene die de Bijbel interpreteert, als onvolmaakte mens, hieraan ondergeschikt is.  Hiermee confronteer je hun met het feit dat ook hun leer fouten kan bevatten.  Wanneer ze dit niet willen erkennen, beweren ze zelf een onfeilbaar gezag te hebben dat boven Gods Woord staat, iets wat hun leer over de Bijbel zou tegenspreken. En wanneer ze wel erkennen dat hun leer ook fouten kan bevatten, iets waar ze mogelijk zelf niet eerder bij durfden stilstaan, creëer je alvast ruimte tot een objectief Bijbelonderzoek.

Jehovah’s naam zuiveren en in eer herstellen

Het zuiveren en in eer herstellen van de naam van Jehova vormt de tweede kernwaarde van de JG.  Alle andere leerstellingen vloeien hier direct of indirect uit voort.  Nathan Knorr, de derde president van de JG omschreef het als volgt:

‘De rebellie in Eden stelde de soevereine positie van Jehovah in vraag en beproefde Zijn macht om mensen op de aarde te scheppen die in alle integriteit met God kunnen blijven wandelen. (Job.1:6-12; 2:1-5).  Dit deed een kwestie ontstaan die tijd nodig had om te kunnen worden opgelost en maakte het nodig dat Gods naam gezuiverd en in eer hersteld zou worden.  De Schriften bevestigen overvloedig dat de grootste kwestie, nog belangrijker dan de schepping, het zuiveren en in eer herstellen van Gods naam en Woord is… Te zijner tijd zal God Zijn nieuwe rechtvaardige wereld tot stand doen komen en Zijn naam volledig van elke blaam zuiveren…’

Hierbij kan best ook vermeld worden over welke blaam het hier gaat: ‘Zijn macht om mensen op de aarde te scheppen die in alle integriteit met God kunnen blijven wandelen.’  Volgens de JG moet God hiervoor enkel mensen op de aarde scheppen die onder beproeving integer met Hem blijven wandelen.  Dit zou voor de Almachtige kinderspel zijn.  Hierin zien we dan ook het lage beeld van God en de oppervlakkige inschatting van zonde dat deze organisatie erop nahoudt.

Een logisch gevolg hiervan is dan ook een laag beeld van Christus.  Want als de eer van God zo schamel is en de zonde van de mens zo gering, is er ook maar een beperkte nood aan een redding door een Verlosser.  De maagdelijke geboorte wordt dan ook ontkend; de verzoening is dan enkel genoegzaam om de zonde van Adam te bedekken en voorziet daarbij een losprijs die niemand echt verlost, maar enkel een tweede kans schenkt; na Zijn dood is Jezus dan ‘opgegaan in gas‘ en zo voorgoed verdwenen, en was het de geest van Jezus die opstond uit de dood en de schijn van een belichaming gaf om de apostelen de indruk te wekken van een verrezen lichaam.  Het is dan ook niet verwonderlijk dat Christus voor de JG veel tekort schiet om God genoemd te worden , hoewel ze Christus zien als de Eerstgeborene van heel de schepping, de verlosser die al degenen die het nodig hebben een tweede kans voorziet en de leider van Jehovah’s volk.

Hoe beïnvloedt dit principe, dat de naam van Jehovah gezuiverd en in eer hersteld moet worden, de levens van de JG?  Het zorgt er alleszins voor dat ze met onnoemelijk veel boekjes, traktaten, brochures en pamfletten van deur tot deur gaan om te getuigen.  In hun vurig streven naar geluk in het millennium tonen ze een ijver die haast niet te stuiten is.  Er is volgens hun geen betere test om iemands toewijding na te gaan, dan deur aan deur propaganda.  Er is op de nieuwe aarde dan ook enkel plaats voor mensen die heel hun leven hier dag en nacht aan toegewijd hebben.  Het maakt uiteindelijk niet uit wat iemand persoonlijk gelooft of doet, zolang hij maar onophoudelijk op de voorgeschreven manier blijft getuigen.  Door het getuigen van hun leer menen zij de naam van Jehovah te zuiveren en in eer te herstellen.  Hiermee vervullen ze dan volgens hun het uiteindelijke doel van de mensheid en behagen ze God.  Op deze manier trachten ze aan God te bewijzen dat ze trouwe dienaren van Hem kunnen zijn die Zijn naam hier op aarde waardig reflecteren.

Gericht naar het hart

Met de twee bovengenoemde fundamentele principes van de JG in ons achterhoofd, kunnen we een meer gericht gesprek aangaan met hun.  Uiteindelijk vormt de leer van de JG niets meer dan een religie die de mensen oproept om zich beter te gaan gedragen.  Een systeem dat een uiterlijke vroomheid bewerkt, maar de kern van het probleem, het verdorven hart van de mens, onberoerd laat.  De mensen die vol ijver voor je deur staan met hun aktetassen, menen dat ze het goed doen.  Ze gaan ervan uit dat ze gehoorzaam zijn aan Gods Woord en Zijn doel met de mens, het aantonen dat Hij in staat is om trouwe mensen te scheppen, vervullen door hun onophoudelijke propaganda.

Iets waar ze zelf weinig of geen besef van hebben is de reikwijdte van hun zondige natuur en hoe diep de zonde geworteld zit in het hart van de mens.  ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (Rom.3:23).  De ‘heerlijkheid van God missen’ betekent eenvoudig gezegd dat de mens niet in staat is om Gods karakter hier op aarde te weerspiegelen.  ‘Er is niemand rechtvaardig, ook niet één, er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt’ (Rom.3:10-11).  Mocht Gods eerherstel van de mens afhangen, had Hij Zijn titel van soevereine God al lang onherroepelijk verloren.

Deze totale verdorvenheid van de mens moet hun op het hart worden gedrukt.  Lees bijvoorbeeld met hun de woorden van Paulus wanneer hij zijn dagdagelijkse innerlijke strijd weergeeft: ‘Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik… Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij.’ (Rom.7:15,21).  Hoe vroom wij allen ook mogen zijn, iedereen die eerlijk is naar zichzelf, zal dit beamen.  Niemand leest altijd even graag in de Bijbel.  Niemand gaat een ander in nood altijd even graag helpen.  Niemand heeft zijn naasten altijd even lief als zichzelf.  Niemand heeft God altijd boven alles lief. Etc. Een stukje van deze inwendige strijd toelichten aan de JG met daarbij de open vraag of zij zulk een strijd dan niet kennen stemt hun alleszins tot nadenken en bepaalt hun bij het hart van het probleem.  We kunnen Jehovah’s naam niet zuiveren uit onszelf, er is iets in ons dat dit belemmert.  We hebben nood aan een Verlosser buiten onszelf.  Iemand die hetgeen Jehovah van ons vraagt, in onze plaats doet.  Maar als het enkel hierbij zou blijven, zouden we nog steeds Gods toorn op ons hebben omwille van onze zonden.  Zoals Numeri 14:18 weergeeft: ‘Jehovah, langzaam tot toorn en overvloedig in liefderijke goedheid, die dwaling en overtreding vergeeft, maar hij zal geenszins vrijstelling van straf geven’ (Nieuwe-Wereldvertaling).  Beide problemen, het nalaten van onze opdracht om God te weerspiegelen hier op aarde en de straf voor onze zonden die we dagdagelijks opstapelen, werden door Jezus Christus opgelost:

‘Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem’ (2Kor.5:21).

Waar de christen nu dagdagelijks vertrouwt op het werk dat IS volbracht door Christus en waardoor zijn toekomst nu IS verzekerd, loopt de JG dagelijks de benen vanonder het lijf om te bewijzen dat hij waardig is om een tweede kans te krijgen in het millennium.  Waar de christen zijn hoop vind in de genade van God, loopt de JG met een voortdurende onzekerheid, niet wetende wat de toekomst brengen zal…

‘k Hoop dat dit artikel mag bijdragen in je groei in onderscheidingsvermogen en je doet beseffen dat je dergelijke gesprekken voorbereid en doelgericht kunt aanpakken.  Er zijn nog onnoemelijk veel andere verschillen aan te halen, maar deze zijn allemaal terug te leiden naar de twee bovenstaande fundamentele principes.  Om in een gesprek niet verstrikt te raken in onbenullige twisten, is het daarom goed om je vooral te richten op deze twee algemene pilaren en daarbij te trachten om het ware hart van de persoon voor je bloot te leggen, want daarin schuilt het eigenlijke verschil, het wezenlijke probleem!  Verdere aanvullingen zijn zeker welkom…

Soli Deo Gloria

Geraadpleegde bron: ‘The Theology of the Major Sects’, John H. Gerstner, Baker Book House