Stelling: Iemand die God niet vreest is nutteloos

De Bijbel spreekt over ‘de vreze des HEEREN’ of ‘de vreze Gods’ als het beginsel van de kennis en de wijsheid. Het lijkt erop dat God hiermee wilt zeggen dat wanneer iemand Hem niet vreest (een mengeling van respect, ontzag en een snuifje angst), geen kennis en wijsheid bezit. Hoe intelligent deze persoon ook mag zijn. Dit lijkt wel een heel vreemde uitspraak, sterker zelfs, ze lijkt zelfs fout te zijn. Toch vinden we het verschillende keren zwart op wit terug in de Bijbel. Hoe kan dat dan?

MatchboxEen eenvoudige illustratie brengt al wat meer duidelijkheid. Neem een rijtuig van Matchbox en beschrijf wat je in je handen hebt. Waarschijnlijk ga je het een auto noemen. Maar is dat wel juist? Als we gaan opzoeken wat de definitie van een auto is, komen we volgende omschrijvingen tegen:

  • ‘Een auto of automobiel (van Grieks auto- (“zelf”) en Latijn mobile (“bewegend”)) is een zelfstandig voortbewegend rijtuig om mensen, voorwerpen en/of dieren te verplaatsen’(~Wikipedia).
  • ‘Vierwielig voertuig, aangedreven door een motor, voor het transport van personen of goederen’ (~van Dale).
  • ‘Een voertuig met 3,4 of 6 wielen, een motor, en een carrosserie’ (~Woordenboek.nl)

Als ik nu opnieuw zou vragen: Wat heb je in je handen? Kan je dan zeggen dat dit rijtuig van Matchbox een auto genoemd mag worden? Het bezit de uiterlijke kenmerken van een auto, heeft 3,4 of 6 wielen en een carrosserie. Maar het kan zich niet zelfstandig voortbewegen omdat het niet wordt aangedreven door een motor. In principe is een rijtuig van Matchbox nutteloos als auto kan je het dan ook geen auto noemen.

In de Bijbel lezen we iets gelijkaardigs over de mensen: ‘samen zijn zij nutteloos geworden.’[1] En de reden hiervoor wordt er ook bij vermeld: ‘De vreze Gods staat hun niet voor ogen.’[2]

Een leven zonder vrees voor God is dus een nutteloos leven. Maar waarom? Wat is dan het doel van die vrees? Waarom kan God zeggen dat een mens pas kennis en wijsheid heeft als hij respect en ontzag voor Hem heeft? Dat antwoord vinden we terug aan het begin van de Bijbel, in het boek Genesis.

Gods doel met de schepping

Voor er ook maar sprake was van de mens, zien we in Genesis dat er een hele schepping aan vooraf ging. De drie-ene God besloot om uit het niets iets te gaan maken wat wij nu kennen als de aarde, omringd door zon, maan, sterren en planeten. Waarom besloot God eigenlijk om zo’n wereld te maken? Hij deed dit niet om er Zelf beter van te worden! Daar had de Oneindige helemaal geen nood aan. Nog voor Hij ook maar iets had geschapen, was Hij reeds volmaakt gelukkig in Zichzelf.[3]

God schiep deze wereld om Zijn glorie zichtbaar te maken. God wilde naar buiten laten stralen van wie Hij in wezen is. Hiervoor maakte Hij een aarde waarbij er licht moest zijn, een hemel, land en zee, bomen en planten, dag en nacht, zeedieren, dieren in de lucht en dieren op het land. En telkens nadat Hij iets geschapen had, zag Hij dat het goed was. Een ware streling voor het oog.

Maar Gods schepping was op dat moment nog niet compleet. Er ontbrak nog iets essentieel. Het doel wat God met de wereld had, het zichtbaar maken van Zijn glorie, was nog niet zoals Hij het wilde. Er moest nog iets geschapen worden. Iets dat de hele schepping met al haar pracht en praal zou bekronen. Pas dan zou Gods plan volbracht kunnen worden. God wilde nog iets scheppen dat Hem persoonlijk zou weerspiegelen. Een schepsel dat Hem, de onzichtbare God, zichtbaar zou kunnen maken in die nieuw geschapen wereld. Een wezen dat Hem zou vertegenwoordigen én daarbij Zijn karakter zou weerspiegelen.

En God zei:Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.’ [4]

globe peopleGod maakte een schepsel dat Hij mens noemde en kroonde het met eer en glorie.[5] Hij maakte de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. En nadat de mens was geschapen, keek God naar Zijn schepping en zag dat het zéér goed was.[6]

Dat de mens naar Gods beeld is geschapen betekent enerzijds dat de mens unieke kenmerken heeft gekregen. Kenmerken die gelijken op die van de Schepper. Zo kan de mens communiceren, redeneren, evalueren, beoordelen en construeren. De mens kan situaties inwegen en zich in een bepaalde mate inleven. Allemaal eigenschappen die bij de mens horen en we bij geen enkel ander wezen op aarde tegenkomen.

Maar daar stopt het niet. De mens is niet enkel met unieke vaardigheden toegerust, maar ook met een unieke opdracht:

En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen! [7]

Het feit dat de mens is geschapen naar het beeld van God betekent hier dat de mens bijna gelijk God is en Hem vertegenwoordigt hier op aarde.[8] Schepsels met een van hogere hand opgelegde verantwoordelijkheid. Wij zijn op aarde geplaatst om God te weerspiegelen.[9] Daarom zei God tegen de mens: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar’.  De eerste man en vrouw kregen dus de opdracht om zich voort te planten zodat de hele aarde bevolkt werd met beelddragers van God die de aarde zouden besturen en regeren.[10]  Hierdoor werd over de gehele aarde kenbaar gemaakt dat God aanspraak maakt over het gezag en de heerschappij van de aarde en al haar bewoners.[11]

Gods doel vertroebeld door de mens

Maar vanaf Genesis 3 komen we de zondeval en al haar gevolgen tegen. Hierdoor werd de weerspiegeling van God in de mens vertroebeld. De mens is nog steeds een beelddrager van God. Hij is nog steeds uniek toegerust, maar voert zijn unieke opdracht niet meer uit zoals deze door God werd opgelegd.[12] Paulus schreef het zo:

‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’. [13]

Eigenlijk zegt hij eenvoudigweg, de mensen zondigen allemaal en weerspiegelen daardoor hun Schepper niet meer naar behoren. Dat is nu net het probleem van de zonde bij de mens. Het maakt hun onwetend en verhardt hun harten waardoor ze niet meer beseffen voor welk doel ze zijn geschapen. Daardoor wandelen ze ‘in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is’.[14]

Vergelijk het met een wagen. Wat maakt een auto zo’n prachtig vervoermiddel? Het brengt je op een aangename manier van A naar B.   Maar wat als die auto nu plots niet meer start? Mag je het dan nog een auto noemen? Enerzijds wel want hij heeft nog steeds de volledige toerusting die nodig is. Maar anderzijds is hij de naam auto niet meer waardig want hij is niet meer in staat zichzelf voort te bewegen. Als auto is hij nutteloos geworden. Zo is de mens met zijn zondige natuur op zichzelf nutteloos geworden.[15]

Gods doel hersteld door Christus

Hoe nutteloos de mens als beelddrager ook mocht zijn geworden, toch bleef God hem, onverdiend, een ongekende waarde toekennen. God, die met het scheppen van de wereld Zichzelf zichtbaar wilde maken, koos ervoor om de mens als beelddrager te houden. Dit klinkt misschien heel vanzelfsprekend voor ons. Maar heb je er al eens bij stil gestaan dat God bijvoorbeeld bij de engelen hier niet voor koos? De engelen die zondigden hebben nooit een ‘tweede kans’ gekregen.[16] Ook de hemelen en aarde, zullen ooit volledig worden vernietigd.[17] Het is voor God niet moeilijk om iets volledig nieuws te maken.[18]

Toch is het altijd Zijn bedoeling geweest dat deze vervallen mens terug in ere hersteld zou worden. We lazen eerder dat alle mensen door hun zondige natuur als beelddrager van God nutteloos waren geworden. We waren defecte auto’s die niet meer uit zichzelf konden bewegen. In Christus zijn we nu mensen op aarde die Gods beeld kunnen weerspiegelen.[19]

Bij onze bekering legden we onze oude mens af ‘die te gronde gaat door misleidende begeerten’ en deden we de nieuwe mens aan ‘die overeenkomstig het beeld van God geschapen is’. Sindsdien worden we voortdurend vernieuwd ‘in de geest van (ons) denken’.[20] De Bijbelgeleerde Harold W. Hoehner omschrijft het als volgt:

‘Toen God Adam schiep maakte Hij hem naar Zijn beeld en gelijkenis. Wat Adam verloor door de zondeval, werd terug hersteld door Christus, een nieuwe schepping overeenkomstig het beeld van God.’ [21]

Christenen zijn door genade in staat om het doel waarmee God de mens heeft geschapen te volbrengen. Zij zijn geroepen ‘om nu, in de tijd die ons nog overblijft in het vlees, niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God te leven’.[22] Zij kunnen God terug weerspiegelen, maar enkel in en door Christus. Daarbij zullen ze hier op aarde een voortdurende innerlijke strijd ervaren tussen hun oude vlees en hun vernieuwde geest totdat ze uiteindelijk verlost worden van hun lichaam.[23]

De vruchten die nu zichtbaar worden in het leven van een christen zijn het resultaat van het feit dat deze geredde zondaar in Christus weer de verantwoordelijkheid die hij had als beelddrager van God, weer heeft kunnen opnemen. Hij is in Christus terug tot zijn doel gekomen als mens. In Christus is onze waarde als mens te vinden!

Dus in de plaats van ons af te vragen wat nu wel of niet mag, en zo voortdurend onze grenzen op te zoeken, stellen we voortaan in iedere situatie beter de vraag:

‘Hoe kan ik het beeld van God in deze situatie het best weerspiegelen. Hoe zou ik in Zijn Naam kunnen handelen?’

Ben jij als een Matchbox auto of staat de vreze Gods je voor ogen?

Soli Deo Gloria

 

[1] Romeinen 3:10

[2] Romeinen 3:18

[3] Wayne Grudem, ‘Systematic Theology – The Creation of Man’, Zondervan, 1994, p.440-441.

[4] Genesis 1:26-27

[5] Psalm 8:6

[6] Genesis 1:31

[7] Genesis 1:28

[8] cf.Psalm 8:6-8

[9] In de Oud Testamentische tijd kwam het optrekken van het beeld van een heerser in een bepaald gebied er op neer dat deze persoon aanspraak maakte op het gezag en de heerschappij over dat gebied. Hans Walter Wollf schrijft in zijn boek ‘Anthropology of the Old Testament’ het volgende: ‘Het is precies in (de mens) zijn hoedanigheid als een heerser dat hij beelddrager is van God.  In het oude Oosten stond het oprichten van een beeld van de koning gelijk aan het proclameren van zijn heerschappij over het gebied waarin het beeld was opgericht (cf. Daniël 3:1,5vv.).

Toen de farao Ramses II in de 13de eeuw v.C.  zijn beeld liet uithouwen in een rots aan de voet van de berg Nahr-el-kelb, betekende dit beeld dat hij de heerser van dit gebied was.  In overeenkomst hiermee is de mens geplaatst in de schepping als Gods beeld.’

De Hebreeuwse woorden in Genesis 1:26-27 die vertaald worden als ‘beeld en gelijkenis’ zijn tselem en demuth.  Het eerste betekent letterlijk ‘schaduw geven’ en verwijst naar een afbeelding of standbeeld (cf. 2Koningen 11:18; Ezechiël 23:14; Amos 5:26).  Het tweede woord is gelijkaardig en benadrukt eerder de ‘gelijkenis en vergelijking’ (cf. 2Koningen 16:10; 2Kronieken 4:3-4; Ezechiël 23:15).  Beide verwijzen ze naar iets dat gelijkaardig is maar ze zijn niet identiek aan hetgeen dat ze voorstellen.

Door de man en de vrouw te scheppen naar Zijn beeld en hun in een bepaald gebied te plaatsen heeft God hun de taak als afgevaardigd bestuurder toevertrouwd.  De mens kreeg dus de taak om ‘in Gods plaats’  te regeren.  Dit regeren is de gezamenlijke functie van de man en vrouw (let op de meervoudsvormen in Genesis1:28, ‘God zegende hen en God zeide tot hen…’).

[10] cf.Genesis 5:3

[11] A.J.Köstenberger, ‘God, huwelijk en gezin – Het Bijbels fundament’, Voorhoeve-Kampen, 2008, p.25-26

[12] Jakobus 3:10

[13] Romeinen 3:23

[14] Efeze 4:17-18

[15] Romeinen 3:10-12

[16] 2Petrus 2:4

[17] 2Petrus 3:10

[18] 2Petrus 3:13

[19] Kolosenzen 3:10

[20] Efeze 4:20-24

[21] Harold W. Hoehner, ‘Ephesians – An Exegetical Commentary’, Baker Academic, 2002, p.611

[22] 1Petrus 4:2

[23] Romeinen 8:23