De natuur van de mens is reeds bij de bevruchting verdorven (cf.Ps.51:7).  De stamvader van iedere mens op aarde is Adam en in hem hebben we niet alleen onze uiterlijke kenmerken meegekregen, maar ook onze natuur (Rom.5:19).  In die natuur zijn we als het ware gehuwd met een man, de wet, die totaal vreemd van ons is en op alle gebieden in ons leven verzet en haat veroorzaakt wanneer hij zijn eisen stelt (Rom.7:1-6).  Hoe waarheidsgetrouw of liefdevol de wet aan iemand met een verdorven natuur ook mag worden gebracht, ze brengt enkel zonde naar voren, want er is niets in haar dat er werkelijk naar verlangt om gehoorzaam te zijn aan deze wet.  De wet is voor zulk iemand een struikelblok dat in de weg staat en hem belemmert om te doen wat hij echt graag wil.  Dat is wat Paulus beschreef in Romeinen 7:7-13 en in het diagram afgebeeld staat.  De mens is van nature dus niet in staat om ook maar iets te doen met een juiste beweegreden of verlangen.  Steeds zal de zondige natuur zich gaan verzetten en rebelleren.

Wanneer iemand echter een nieuwe natuur in Christus heeft gekregen vindt er zich een drastische verandering plaats in het diepste binnenste van deze persoon.  De wet is dan niet langer een tegenstander, maar een verlangen geworden dat door de Geest wordt bewerkt.  Zonde is nog steeds aanwezig in het hart van deze persoon omdat de vernieuwde geest nog steeds woont in een ‘vleselijk lichaam’, maar heeft nu een heel andere positie.  Waar eerst de zonde het verlangen was en de wet het struikelblok, is nu de wet het verlangen en de zonde het struikelblok.  De uitwerking hiervan wordt op een prachtige manier omschreven in Romeinen 7:14-25.

Goed-goed

Mag ik dan nu concluderen dat niemand hier op aarde iets kan doen dat werkelijk goed-goed is?  Is er niets goeds dat kan worden gedaan met een goede beweegreden?  Kunnen wij God behagen in onze huidige toestand of blijft het bij een verlangen?  Toch wel, we kunnen God behagen, maar met beperkingen.  Zolang de zonde nog een actieve rol heeft in het hart van een persoon, zullen zijn daden en motieven voortdurend aangevallen worden door de zonde (cf.Spr.4:23).  Dat was ook de conclusie van Paulus wanneer hij schrijft: “als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij.”  Paulus beaamde dat zijn diepe verlangen, zijn streven, was om goed-goed te doen.  Dat was zijn uitgangspunt bij het ondernemen van iets, het goede doen.  Maar hij bemerkte dat het kwade “dicht bij” hem was.  Hij schreef niet dat het kwade hem voortdurend overheerste en inpalmde, maar dat het op de loer lag om hem op een bepaald moment aan te vallen, te misleiden of te verleiden.  Het kwade, de zonde, is steeds “dicht bij.”  Daarom ook dat hij schreef in zijn andere brief aan de gemeente te Korinthe:

“Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere, want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing. Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen. Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2Kor.5:5-10).

In bovenstaand gedeelte verwees Paulus naar die dag dat iedere gelovige een verheerlijkt lichaam zal krijgen, een lichaam dat volledig aansluit met de vernieuwde geest die we reeds hebben ontvangen bij de wedergeboorte.  De dag dat alle christenen niet enkel vanuit geloof in de Heer zullen wonen, maar ook in aanschouwen.  De dag waarin slecht-slecht, goed-slecht en slecht-goed verleden tijd zijn en goed-goed het enige zal zijn dat rest.  Wat een hoop, wat een toekomst die daar voor ieder christen is weggelegd.  Voor al die kostbare kinderen van Hem die dagelijks gebukt gaan door de zondelast die nog zo zwaar is.  Ja, mijn zonden zijn vergeven, dat weet ik uit geloof, maar uit aanschouwen zie ik mezelf meer en meer strijden met de restanten van mijn oude natuur.

Toch hebben we “altijd goede moed” want de strijd is niet hopeloos.  Ook al is de zonde “dicht bij”, we hebben alles in huis om ze te bevechten.  Daarvoor heeft Hij ons Zijn Geest gegeven zodat we toegerust zouden zijn om “Hem welbehaaglijk” te zijn.  Dus om goed-goed te doen hier op aarde.

Wat is goed?

Jer 23:22

“Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus” (1Pet.4:11).  Het verheerlijken van God is de zilveren draad die verweven moet zijn met al onze daden.  “Of u dus eet of drinkt of iets anders doet, doe alles tot eer van God” (1Kor.10:31). Het hoofddoel van de mens is het verheerlijken van God, dat is de reden waarvoor de mens geschapen is.  Wil iemand dus goed-goed doen, moeten zijn daden en motieven overeen komen met het doel waarvoor hij geschapen is. “Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn” (1Kor.6:20).

Kan ik goed doen?

“En God is bij machte elke vorm van genade overvloedig te maken in u, zodat u, wanneer u in alles altijd al het nodige bezit, overvloedig kunt zijn in elk goed werk” (2Kor.9:8).

Ja, een christen wil niet enkel God verheerlijken, maar heeft daartoe door de genade van de Heer ook de mogelijkheid toe gekregen.  Een christen heeft alles ‘in huis’ om de Heer te behagen en goed werk te doen voor Hem.  Hij heeft daar niets extra meer voor nodig.  Het enige wat nog in de weg zit zijn de afstervende restanten van de oude natuur.  Eenmaal deze volledig zijn weggenomen, is de christen vertrokken om God maximaal te verheerlijken tot in de eeuwigheid (cf.Rom.8:23).  Maar zover zijn we nog niet, daarom dat goed-goed doen vraagt om inspanningen, het kost moeite.  Niet voor niets dat Paulus ons herhaaldelijk vermaant met de woorden: “En laten wij niet moe worden goed te doen, want te zijner tijd zullen wij oogsten, als wij het niet opgeven” (Gal.6:9) en “broeders, word niet moe goed te doen” (2Thess.3:13).

Hoe kan ik goed doen?

“Heel de Schrift is door God ingegeven … opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust” (2Tim.3:17).

Velen denken dat het verheerlijken van God gebeurt door het doen van opvallend vrome activiteiten.  Hoewel deze God ook kunnen verheerlijken wordt God het meest verheerlijkt in ons dagdagelijks leven.  In onze omgang met Hem, de anderen en onszelf.  Hij heeft ons de Bijbel gegeven opdat we “tot elk goed werk volkomen toegerust” zijn.  Door te leven naar Zijn Woord doen we goed-goed en verheerlijken we Hem.  De Bijbel is het middel waarmee Zijn Geest onze geest aanwakkert en doet groeien naar het beeld van Zijn Zoon.

Dat maakt ook dat het belangrijk is om te groeien in de kennis van Zijn Woord.  Kinderen van de Heer horen Zijn Woord te onderzoeken en hun levenswandel hieraan te toetsen zodat ze volwassen mogen worden in hun geloof.  Want “voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad” (Heb.5:14).  Hoe meer je kwaad kan onderscheiden van goed, hoe meer je goed-goed kan doen en dus hoe meer je God kan verheerlijken.  Let daarbij wel op de ernstige vermaning die Jakobus geeft aan zij die hun kennis hebben vergroot, maar hun wandel niet overeenkomstig laten zijn: “Wie dan weet goed te doen, en het niet doet, voor hem is het zonde” (Jak.4:17).

Daden die goed zijn met een goed motief zijn dus niet meer of niet minder dan de eenvoudige dingen die op ieders pad komen en waarbij je kiest om gehoorzaam te zijn aan hetgeen de Bijbel leert.  Dit kan gaan tot het poetsen van de toilet in dankbaarheid voor de Heer tot het verkondigen van Zijn Woord onder de mensen in gehoorzaamheid aan Zijn Woord.

Besluit

Alle handelingen van de mens onderverdelen in louter goed of slecht zorgt vaak voor verwarring en eindeloze discussies.  Daarom is het dus beter om goed en slecht op zich nog eens te verdelen waardoor we een ietwat verfijnder beeld krijgen over de handelingen van de mens.  Samengevat kunnen er dus vier manieren van handelen zijn:

  • Slechte dingen doen met slechte motieven
    –  Jacob. 4:1-4 / 2 Sam. 11
  • Goede dingen doen met slechte motieven
    –  Spr.21:2; 16:2,25 / Lev.10:1-2
  • Slechte dingen doen met goede motieven
    –  Rom.7:14-26 / Psalm 119
  • Goede dingen doen met goede motieven
    –  1Kor.10:31 / 2Kor.5:5-10

Door zijn zondige natuur geraakt een mens zonder Christus niet verder dan de eerste twee opsommingen en doet hij dus voortdurend ‘slecht’ in de ogen van de Heer.  Dankzij zijn nieuwe natuur in Christus kan de christen ook goede motieven hebben en dus uiteindelijk ook handelingen doen die ‘goed’ zijn in de ogen van de Heer.

Soli Deo Gloria

Gebruikte bronnen:
“A Body of Divinity”, Thomas Watson, Banner of Thruth Trust
“Assurance and the Struggle with Sin”, Phil Johnson, Sermon @ The GraceLife Pulpit
“Basic Theology”, Charles Ryrie, Moody Press
“Het Normale Christelijke Leven”, Watchman Nee, Hoenderloo’s Uitgeverij
“Systematic Theology”, Wayne Grudem, Zondervan
“Teaching Romans”, Christopher Ash, Proclamation Trust Media 2009
“The Believer and Indwelling Sin” part 1 and 2, John MacArthur, Sermon @ Grace to You
Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God,

Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft.

6 Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere,
7

1 Kor 13:12; 2 Kor 3:18

want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing.

8 Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.
9 Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn.
10

Matt 25:32; Rom 14:10

Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden,

opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.