Een wat arrogante jonge man vroeg eens aan een predikant op een spottende manier: “Jij zegt dat mensen die niet wedergeboren zijn een grote zondelast dragen.  Eerlijk gezegd”, zei hij “voel ik er niets van.  Hoe zwaar is zonde?  Vijf kilo?  Vijfentwintig kilo?  Vijftig kilo?  Honderd kilo?” De predikant dacht even na en antwoordde vriendelijk: “Als je een gewicht van tweehonderd kilo op een lijk zou leggen, zou het de last voelen?” De jonge man zei al gauw: “Natuurlijk niet, het is dood.” Waarop de predikant zijn punt duidelijk maakte en zei: “De geest die Christus niet kent is even dood.  En hoewel de last zwaar is, voelt hij er niets van.”

Een wedergeboren iemand is niet zo onverschillig voor het gewicht van de zonde als een ongelovige.  Integendeel zelfs, de gelovige is hypergevoelig voor zonde.  Bij het naderen tot Christus is hij de werkelijkheid van de zonde onder ogen gaan zien en zal dit enkel meer en meer gaan opmerken naargelang hij verder groeit en volwassen wordt in zijn geloof.  Dit bracht Chrysostomus tot de uitspraak: “Ik vrees niets buiten zonde.”

Slecht-goed

Een ongelovige antwoordde eens, nadat hij geconfronteerd werd met de boodschap van verlossing door genade in Christus, het volgende: “Als ik die leer, dat verlossing een gratis en een louter genadevol iets is, en dat het enkel een kwestie van geloven is om het te verkrijgen, als ik daar zeker van kon zijn dat ik zo makkelijk bekeerd kon worden, zou ik gaan geloven en erna mij volop verlustigen in de zonde.” De gelovige antwoordde: “Hoeveel zonde denk je dat een ware christen nodig heeft om verlustigd te worden?” Het antwoord is dat een beetje zonde al meer is dan we kunnen verdragen.  Het komen tot Christus bewerkt een bewustwording van zonde in het hart en het verstand waardoor een christen het gewicht van de zonde voelt op een manier die totaal ongekend is voor een ongelovige.  Dat is ook hetgeen we terugzien in Efeziërs 2:1: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.”

Aan het kruis is mijn oude natuur gestorven en in Christus heb ik een nieuwe natuur gekregen.  Deze nieuwe natuur in Christus zal ik pas volledig delen wanneer ik ook net als Christus een verheerlijkt lichaam zal krijgen (cf. Rom.8:23).  Zo zal voor ieder zichtbaar zijn dat ik een afstammeling van Christus ben geworden.   Maar het offer van Christus is volbracht maar nog niet voltooid en dus leef ik momenteel nog in een vleselijk lichaam, zoals dat van mijn vroegere voorouder Adam.  Toch is mijn geest verlicht, zelfs vernieuwt door wedergeboorte (2Kor.4:16).  Mijn oude natuur is op zich gestorven aan het kruis, maar in mijn leven noem ik het eerder ‘dodelijk verwond’.  De natuur sterft dagelijks meer en meer af en heeft geen overlevingskansen meer.  Daarentegen wordt mijn geest iedere dag vernieuwt en wordt deze nieuwe natuur in mij stilaan volwassen.  De oude natuur probeert dit groeien af te remmen, dat is dan het ‘heiligingsgebied’.  Ik heb dus maar één natuur die leeft en verlangt naar het doen van het goede.  De zondige begeerten, daden en houdingen die toch nog in mij tot uiting komen horen niet meer bij mijn natuur en zijn dus niet meer dan ‘laatste stuiptrekkingen’ van de stervende oude natuur, die op zich dood is en dus afgeschreven.  Dit verklaart ook waarom wij rekenschap zullen moeten afleggen voor Christus.  Wij hebben een nieuwe natuur gekregen van Hem en zijn dus in staat om de ‘stervende oude natuur’ te bevechten.  Al het goede dat wij kunnen doen is dankzij die nieuwe natuur in Christus, dus alle eer aan Hem.  Maar alle slechte dingen die wij nog doen zijn een overblijfsel van onze oude natuur, die ons niet meer eigen is, waarbij we dus geen blijk geven van onze eigen nieuwe natuur en daardoor onze ‘krachten’ onbenut laten.”

In Christus kan de mens dus nog steeds slecht-slecht of goed-slecht doen, maar groeit er ook een verlangen om goede dingen te doen, dus te handelen met een goed motief.  Een christen gaat daden gaan doen die slecht-goed en goed-goed zijn.  Eerlijk gezegd heb ik lang moeten nadenken of dit eerste wel werkelijk kan.  Kan iemand iets slecht doen met een goed motief?  Als ik hier volop “ja” zou antwoorden, zou ik mogelijk in conflict komen met iets wat ik eerder heb geschreven, namelijk dat God kijkt naar het hart, dus het motief en niet naar de daad op zich.  Hiermee zou ik een kaartje onderaan een kaartenhuis wegnemen dat er voor zou zorgen dat het hele kaartenhuis instort.  Want dan zou ik suggereren dat het niet uitmaakt wat je doet, zolang je bedoelingen erachter maar juist zijn.  Zo zou ik mogen stelen als dit was om anderen te helpen, begeren als ik hiermee mijn gezin meer wou geven, liegen als ik anderen niet wilde kwetsen met de waarheid en een beeld vereren als ik daarmee de ware God wou zichtbaar maken hier op aarde.  Dit zou absoluut fout zijn en tegen de leer van de Bijbel ingaan.  Al de voorgaande voorbeelden, of ze nu goed of slecht zijn, horen thuis onder de categorie “slecht-slecht” en “goed-slecht”, ze hebben sowieso een verkeerd motief.  Ook al zijn de bedoelingen erbij nog zo oprecht, ze missen het doelwit dat we eerder besproken hebben.

Toch kan een christen slecht-goed doen.  Het meest duidelijke voorbeeld hiervan vinden we terug in Romeinen 7: 14-26:

“Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk,verkocht onder de zonde. Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet,want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is. Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbreng, maar de zonde die in mij woont. Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont. Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij. Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God. Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.”

In dit Bijbelgedeelte neemt Paulus ons mee naar zijn geloofservaring als apostel van Christus, als volwassen gelovige.  Sommigen durven te stellen dat het christenleven een leven is van overwinning en vreugde.  “Als God voor mij is, wie kan er dan tegen mij zijn” wordt dan gebruikt als uitgangspunt.  Van zonde is geen sprake meer, want die is overwonnen aan het kruis.  We worstelen niet meer met zonde, maar vieren van ’s ochtends tot ’s avonds feest in de Heer.  Hoe vroom en oprecht dit alles ook mag zijn, ze mist de kern van de zaak en brengt vele kinderen van de Heer in de war of uit balans.  Hoe komt het dat ik die vreugde niet altijd ervaar?  Of sterker zelfs, waarom zie ik mezelf meer en meer als een zondaar?  Ben ik dan geen christen?  Is er voor mij geen plaats aan die feesttafel?  Oh wat dank ik de Heer voor dit Bijbelgedeelte!  Een prachtige en levendige omschrijving van het normale christenleven. Enerzijds lezen we hier wat er zich in het diepst van Paulus’ hart afspeelt:

  1. Dat hij een werkelijk verlangen heeft om te doen wat God wilt (vv.15, 16, 18, 19, 20, 21);
  2. Dat hij zich naar de innerlijke mens verheugt in de wet van God (v.22);
  3. Dat hij een intense dankbaarheid heeft door Jezus Christus (v.25);
  4. Dat hij met zijn verstand een slaaf is van Gods wet (v.25).

Maar anderzijds lezen we ook:

  1. Dat hij vleselijk is, verkocht onder de zonde (v.14);
  2. Dat hij niet de goede dingen doet die hij zou willen doen (vv.15-20);
  3. Dat in hem, dat is in zijn vlees, niets goeds woont (v.18);
  4. Dat zonde in hem leeft (vv.17,20);
  5. Dat het kwade dicht bij hem is (v.21);
  6. Dat hij een gevangene is van de wet van de zonde, die in zijn leden is (v.23);
  7. Dat hij een ellendig mens is (v.24).

We vergeleken eerder de relatie van de wet tot de mens met een huwelijk.  De wet was de veeleisende echtgenoot die geen greintje compassie kon tonen en enkel lasten op de schouders van de natuurlijke mens, zijn vrouw, kon leggen.  Aan het kruis stierf de oude natuur van alle gelovigen waardoor ze konden hertrouwen met Christus en daarbij de wet niet meer opgelegd kregen, maar ingelegd.  De wet werd een onderdeel van hun hart.  Wanneer nu de Heilige Geest de wet op onze harten schrijft, begint een hopeloze strijd in de gelovige die niet zal eindigen tot aan zijn dood of de opname van de Gemeente.  Deze strijd of worsteling is een teken van geestelijk leven.  Voordat ik tot bekering was gekomen kostte het omdraaien van een bekladde pagina in mijn leven maar weinig moeite en ging de volgende nieuwe pagina niet lang mee.  Nu de Geest me de kracht geeft om te worstelen, kost het me veel meer moeite en brengt het meer strijd teweeg.  Twee spionnen zijn gevangen: degene die de martelingen tracht te weerstaan zal veel meer lijden dan de andere die al bij de eerste draai aan de schroef alles vertelt.  Zo zal iemand die de zonde tracht te weerstaan veel meer moeite krijgen dan iemand die bij de minste verleiding onmiddellijk toegeeft aan deze verleiding.

“Ja maar… is het dan normaal dat christenen nog steeds zondigen?”  Ja!  Wanneer een kind begint te wandelen, verwondert men zich niet dat het af en toe nog valt, maar wel dat het begonnen is met de eerste stapjes te zetten.  De ouders zullen niet zeggen: “Oh kijk, ze is gevallen.  Kom kijken!”  Ze zeggen: “Kom gauw, ze wandelt!”  Het is geen wonder dat we zondigen, maar dat we ons storen aan die zonde en terug willen opstaan.

Waar we eerder enkel goed en slecht konden doen met verkeerde motieven, groeit er nu een verlangen om dingen te doen met goede motieven.  De christen wilt God verheerlijken en doen wat goed is in de ogen van God.  Maar de zonde is nog niet volledig verdwenen en schuilt nog in “alle leden” van het lichaam.  Het verlangen is aanwezig, maar het uitwerken van dat verlangen wordt voortdurend uitgedaagd.  Volgende diagram geeft weer wat er zich nu precies in ons hart afspeelt:

(Klik op de afbeelding om deze te vergroten) Het christenleven wordt gekenmerkt door een worsteling tussen het verlangen om Gods wet te gehoorzamen en de inwonende zonde die zich verzet tegen dit verlangen.  Het verlangen om goed te doen, dus het motief kan dan wel goed zijn, maar de daad die uiteindelijk verricht wordt slecht of verkeerd.  Dit gedeelte wordt ook wel ‘heiliging’ genoemd en is een onderdeel van het normale christenleven.  Wanneer iemand dit dagelijks ervaart mag hij of zij dit als een zegen ervaren want dit is een teken van nieuw leven.  Maar wanneer iemand dit echter mist in zijn leven en iedere dag feest kan vieren en enkel overwinning ervaart, is het hoogtijd om na te gaan of er wel sprake is van nieuw leven, van een wedergeboorte.  Is er een verlangen om Gods wet te gehoorzamen?  Is er een juist beeld van God en de mens dat berouw en inkeer bewerkt?  Ga hier niet te licht mee om en negeer deze vermaning dan niet want ze is van ‘levensbelang’!

Voor alle kinderen van de Heer die deze worsteling kennen en soms zelfs met tranen in de ogen kijken naar de zonde in hun leven is de Heer enkel barmhartig en genadevol.  God is niet verwondert over het feit dat je zondigt.  Hij weet dat perfectie niet kan behaald worden in de staat dat je je nu bevind.  In Zijn wijsheid heeft Hij er voor gekozen om je een tijd lang te laten worstelen met je nieuwe verlangens en de zonde in je zodat je Hem meer en meer zult gaan liefhebben.

Wordt, zo God het wil, vervolgd…

ok

Rom 5:6; Kol 2:13

u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden