Wereldse personen, goddelozen, ongelovigen of niet-christenen, hoe je ze ook noemen wilt, kunnen niets doen met de juiste beweegreden.  Ze kunnen wel goede, zelfs bewonderenswaardige, daden verrichten, maar zullen dit nooit doen met de juiste motieven en daardoor steeds het doelwit missen.  Ze hebben”de eer van de mensen meer lief dan de eer van God” (cf.Joh.12:43) en hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt” (Rom.1:21).  Ze zijn niet rechtvaardig, noch verstandig en zoeken God niet (Rom.3:10-12).  “De vreze Gods staat hun niet voor ogen (Rom.3:18) en ze zijn een slaaf van de zonde (Rom.6:16-17).  Ze kunnen niet anders dan zondigen omdat ze God nooit de eer zullen geven die Hem toekomt. 

Slecht-goed en goed-goed

God is een na-ijverig (jaloers) God die alle eer voor Zichzelf wilt hebben.  Hij is het waard “te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht”, want Hij heeft “alle dingen geschapen”, en door Zijn wil “bestaan zij en zijn zij geschapen” (Op.4:11).  Wanneer iemand anders met Zijn eer wilt gaan lopen, wekt dat een rechtvaardige woede in Hem op die Hij niet onberoerd laat.  Een voorbeeld hiervan zien we bij Herodes in Handelingen 12.  Herodes was er in geslaagd om een soort vredesakkoord te sluiten met twee grote vijanden.  Waauw, zou je op het eerste zicht denken, een eerste stap naar wereldvrede, hoe bewonderenswaardig van Herodes.  Wat een goede daad heeft hij toch maar verricht.  Maar als je dan verder leest kom je tot de schokkende vaststelling dat hij met zijn ‘goede’ daad Gods toorn had opgewekt.  God liet hem doodgaan omdat zijn motief niet goed was, hij gaf God niet de eer.  De daad van Herodes was dus, zoals we eerder beschreven, goed-slecht en dus simpelweg slecht in Gods ogen.

Mensen zullen en kunnen uit zichzelf nooit God de eer geven die Hem toekomt.  Sterker zelfs, de mensen hebben van nature een haat naar God en Zijn wet.  Hun zondige verlangens, die steeds aan het werk zijn in hun hart, worden geprikkeld door Gods wet (Rom.7:5).  Niet geprikkeld op een aangename manier, maar op een irriterende wijze.  Zo erg zelfs dat ze op den duur Gods wet gaan haten omdat ze hun eigen verlangens en gevoelens voortdurend in de weg zit. Ze zullen nooit uit zichzelf ook maar iets willen en kunnen doen met een goed motief dat God eert.  De hoogste lat die ze kunnen bereiken is goed-slecht.  Een nobele daad, met een verkeerd motief.

Hoe komt het dan dat God wel kan genieten van Zijn kinderen?  Waarom wordt in het Nieuwe Testament zoveel nadruk gelegd op het doen van het goede (Mat.5:16; 2Kor.13:7; Gal.4:18; Ef.2:10; 1Tim.6:18; Tit.3:8)?  Kan een christen, anders dan andere mensen, wel daden doen met een goed motief?  Om dit enigszins uit te kunnen leggen en te vatten is het goed om even terug te gaan naar de basis en te onderzoeken welke plaats Gods wet inneemt in het leven van de mens en hoe het komt dat deze wet zulk een probleem vormt voor de mens.  Eenmaal we dit begrijpen, waarom Gods wet als een doorn is in het oog van natuurlijke mens is de stap naar het vinden van een oplossing niet meer zo ver en zullen we inzien wat deze oplossing teweeg brengt.

Gods wet, de afspiegeling van Zijn karakter, van wij Hij is, werd aan de mens gegeven om zijn overtredingen kenbaar te maken.”Ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet… want zonder de wet is de zonde dood… toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden” (Rom.7:7-9). De wet brengt onze ware aard aan het licht.  Als de wet er niet geweest was zouden wij nooit geweten hebben hoe zwak wij zijn.  Stel je voor dat je een erg onhandige bediende hebt.  Zolang hij stil zit en niets doet, merk je niets van zijn onhandigheid.  Als hij de hele dag niets doet, heb je niet veel aan hem, maar dan richt hij tenminste geen schade aan.  Wanneer je echter een opdracht aan hem geeft, wordt er veel duidelijk.  Terwijl hij opstaat gooit hij zijn stoel om, struikelt even verder over een matje en breekt een kostbare schaal zodra hij deze aanpakt.  Toen je hem niets vroeg, viel zijn onhandigheid niet op.  Maar van zodra je hem aan het werk zette, zag iedereen het.  Er mankeerde niets aan wat je hem vroeg, maar het probleem lag aan de man zelf.  Zo zijn wij allen van nature zondaars.  Wanneer God niets van ons vraagt, gaat alles ogenschijnlijk goed, maar zodra Hij wel iets vraagt, krijgt onze zondige natuur de gelegenheid zich ten volle te laten gelden.  De wet brengt zwakheid aan het licht, ze laat ons zien wie we werkelijk zijn.

Ieder mens is van nature gebonden aan Gods wet.   Paulus vergelijkt de verhouding van de wet met de zondaar in Romeinen 7:1-3 met het huwelijk tussen een man en een vrouw.

“Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond. Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden.”

De gehuwde vrouw is iedere mens van bij zijn geboorte.  Haar echtgenoot is de wet.  Watchman Nee legt deze  vergelijking uit als volgt: “De vrouw is ongelukkigerwijze getrouwd met de minst prettige man.  Vergist u zich niet, de man met wie ze getrouwd is, is een goede man, maar de moeilijkheid is, dat deze man en deze vrouw helemaal niet bij elkaar passen.  Hij is uiterst nauwkeurig en accuraat; terwijl zij het daarentegen heel gemakkelijk opneemt.  Hij is in alles even nauwgezet, bij haar gaat het allemaal lukraak.  Hij wil alles precies op zijn manier, terwijl zij het maar neemt zoals het valt.  Hoe zou zo een paar gelukkig kunnen zijn?  En die man is zo veeleisend!  Wat hij niet van zijn vrouw vraagt!  En toch kunt u niets op hem aanmerken, want als echtgenoot mag hij toch wel iets van haar verwachten, hij eist niets onredelijk van haar.  Er mankeert niets aan hem en ook niet aan de eisen, die hij stelt, het is alleen zo jammer , dat zij niet de goede vrouw voor hem is, zij kan niet aan zijn eisen voldoen.  Zij kunnen het helemaal niet met elkaar vinden; hun aard is niet met elkaar in overeenstemming te brengen.” Zo is ieder mens van nature als het ware gehuwd met de wet.  Een huwelijk dat voortdurend onder spanning staat omdat de twee partners tegenovergesteld zijn aan elkaar.  Toch kan dit huwelijk niet verbroken worden tenzij een van de twee partners sterft, want dan ontbindt zich ook het huwelijk (cf. Rom.7:2).  Omdat Gods wet eeuwig is en “totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, er niet één jota of één tittel van de Wet zal voorbijgaan” (Mat.5:18) is de kans dat de man zou sterven onbestaand.  Hoe kan deze vrouw dan verlost worden van het juk dat haar man op haar legt, hoe kan zij op een rechtvaardige manier scheiden van deze man, die eigenlijk volmaakt is (Rom.7:7)?  Voel je het spanningsveld en zie je het probleem dat ieder mens van nature heeft met Gods wet?  Neem even tijd om dit te overdenken want dat brengt veel duidelijkheid in Gods Woord naar voren.  De natuurlijke mens en Gods wet passen niet samen maar zijn toch onlosmakelijk verbonden aan elkaar.  De man is het hoofd van de vrouw (1Kor.11:3), zo dus ook de wet van de mens.

God eren betekent Zijn wet liefhebben, een onmogelijk iets dus zolang de wet geen deel uitmaakt van de jezelf en dus enkel eisen stelt die jij toch niet kan vervullen.  De wet is, ondanks dat zij goed is, een starre en meedogenloze echtgenoot die je enkel kan liefhebben door perfectie, onmogelijk dus voor ons als mens.  De enige oplossing voor de vrouw, dus voor de mens, is gescheiden raken van deze man want dan kan ze een andere man trouwen.  Maar hoe?  We zagen eerder dat deze man, de wet, zeker en vast niet zal sterven?  Wel, als het huwelijk enkel ontbonden kan worden wanneer een van de partners sterft en de man voorzeker niet zal sterven, dan is de enige (rechtvaardige) oplossing dat de vrouw sterft.  En dat is nu precies de weg die God gekozen heeft om ons te bevrijden van de wet.

“Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt. Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God” (Rom.7:3-4).

De wet gaat niet heen maar ik ga heen.  De dood bevrijdt mij van de wet.  Wij moeten goed weten dat de wet nooit voorbij kan gaan, Gods rechtvaardige eisen zijn voor eeuwig.  Zolang ik leef, gebonden aan de wet, moet ik die eisen onder ogen zien, maar… als ik sterf heeft de wet niets meer over mij te zeggen.  De wet kan mij niet langer volgen dan aan het graf.  Zo ben ik als christen gedood voor de wet.  Mijn oude ‘ik’ is aan het kruis van Christus genageld en een nieuwe ‘ik’, die ik kreeg bij mijn wedergeboorte, is niet meer gehuwd met de wet, maar met een andere Man, Jezus Christus.  Dit was een passief iets, iets waar ik zelf geen deel aan had, maar wat volledig een werk van God was zoals we in vers 4 lezen.  Wij ‘zijn ‘gedood, een passief iets waar we zelf niets aan hebben bijgedragen.

Betekent dit nu dat ik wetteloos ben geworden in Christus?  Neen, absoluut niet, maar er heeft zich wel een fundamentele verandering plaatsgevonden.  Waar ik eerst gehuwd was met de wet en deze star moest volgen om aan zijn eisen te voldoen ben ik nu gehuwd met Christus.  Nu draag ik niet meer het juk van de wet op mijn schouders, het moeten nakomen van alle regels en wetten, maar nu draag ik het juk van Christus op mijn schouders.  Waar ik eerst moest voldoen aan eisen die niet uit mezelf kwamen maar me werden opgelegd, leef ik nu vanuit een eis die uit mezelf komt, die een verlangen is van mezelf.

Voor God ben ik niet meer gehuwd met de wet, maar met Christus.  Waar ik eerst volmaakt moest zijn om iets goed te kunnen verrichten in de ogen van God, want dat was de eis van de wet, kan ik nu wél vrucht dragen, dus goede werken doen door Christus.  Het volmaakte wat mijn vorige man, de wet, eiste van mij, heeft mijn nieuwe man, Christus, reeds voor mij gedaan.  Nu leef ik dus niet meer onder de wet, want daarvan ben ik losgemaakt, maar onder Christus.  Nu dien ik “in nieuwheid van Geest” en niet meer “in oudheid van letter”(Rom.7:6). De wet legde mij vroeger regels en geboden op die niet van mezelf waren, het waren oude, onverschillige en starre letters, maar die ik wel hoorde na te komen.  Dit lukte helemaal niet en bewerkte zelfs haat in mij waardoor ik God nooit kon liefhebben met heel mijn hart en dus voortdurend zondigde.  Mijn nieuwe man, Christus, heeft mij nu de wet geschreven in mijn hart waardoor Gods wet een deel is geworden van mezelf.  Het is een hartsverlangen geworden om Gods wet lief te hebben en met als gevolg ook te gehoorzamen.  Niet meer een opgelegde last, maar een innerlijk verlangen.  Hierdoor kan ik nu God volledig liefhebben met heel mijn “hart, ziel, verstand en kracht” (Mc.12:30) en mijn naasten als mezelf (vs.31).  De poort is voor mij geopend om goede dingen te doen, vrucht te dragen.

Na het lezen van dit gedeelte, wat ik persoonlijk best wel moeilijk en theoretisch vond, zou ik willen vragen of je dit wilt overdenken door Romeinen 6-7:1-13 te lezen en in gebed te vragen of de Heer je Zijn waarheid wilt laten ontdekken.  Lees het artikel naderhand nog eens opnieuw en probeer volgende vragen eens voor jezelf te beantwoorden:

  1. Kan een mens van nature iets goed doen in de ogen van de Heer?  Waarom wel of niet?
  2. Welke rol heeft de wet van God bij de natuurlijke mens? Wat zijn de gevolgen hiervan?
  3. Is de wet goed of slecht?  Waarom irriteert de wet dan ieder natuurlijk mens?
  4. Wat is er ten opzichte van de wet verandert bij de wedergeboorte van een christen?  Wat zijn de gevolgen hiervan?

In het volgende artikel zullen we, zo God het wil, gaan uitzoeken of daden werkelijk slecht-goed kunnen zijn.  Kan iemand slechte dingen doen en toch een goed motief hebben?  Een beetje een vreemde stelling waar over nagedacht moet worden…

Wordt, zo God het wil, vervolgd…

1 Kor 7:39

Want de gehuwde vrouw is door de wet

1 Kor 7:2,10

gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.