“Wie geeft ons vlees te eten?  Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook.  Maar nu drogen wij uit, er is in het geheel niets, wij krijgen alleen dit man te zien. ”

(Numeri 11:4-6)

Tjongejonge, hoe vaak herken ik mezelf niet in de houding van de Israëlieten.  Bewust of onbewust denken dat je beter verdiend dan wat de Heer op je pad heeft doen komen.

Hier in Numeri zijn de Israëlieten pas drie dagen op reis van Sinai naar het beloofde land.  Al meer dan een jaar had de Heer hun iedere ochtend wonderlijk voorzien van man (of manna).  Het kwam letterlijk steeds iedere nacht trouw uit de hemel vallen zodat ze het ’s ochtends enkel hoefden op te rapen..  Ze konden het zelfs op verschillende manieren bereiden zodat ook hun smaakpapillen verwend werden.

Nu begint er onrust onder het volk te komen doordat sommigen een ontevreden houding begonnen aan te nemen.  Ze beweerden dat de slavenmaaltijd die ze in Egypte kregen zo overheerlijk was en vergaten Gods trouw gedurende al die tijd.  Ze trokken de goedheid van God in Zijn voorzienigheid in twijfel en verachtten hiermee dus God zelf.

“Geen genoegen nemen met hetgeen de Heer je heeft gegeven is een rechtstreekse rebellie tegen Hem.”

Deze negatieve houding verspreidde zich al snel onder het volk en al snel nam het gehele volk deze houding aan.  Wat ook weergeeft hoe zonde werkt als zuurdesem in een persoon, groep of maatschappij.

Als je dit zo leest, zou je al gauw geneigd zijn om het hoofd te schudden naar de Israëlieten en hun met de vinger te wijzen.  Maar als je even stilstaat bij je eigen houding tegenover hetgeen de Heer op je pad doet komen, raak je al snel tot het besluit dat je niet beter bent dan hun.  Hoe vaak vinden we ‘niets lekkers’ thuis of is de boterham net niet dat wat we wilden?  Hoeveel hebben we al niet geklaagd over onze werkgever of over de sleur van het dagelijks gaan werken?  Hoeveel keer zijn we al dankbaar geweest voor het weer dat de Heer ons geeft?  Hoe tevreden zijn we met ons lichaam?  Zien we onze (beperkte) gaven en talenten als werkelijke geschenken van de Heer of eerder als een belemmering in onze ‘ontwikkeling’?

‘k Hoop dat eenieder die dit leest beseft dat we allemaal wel geregeld in een of andere vorm, bewust of onbewust, leven met een ontevredenheid. Laten we hier dus attent op worden en niet enkel stoppen met ontevreden zijn, maar ook werkelijk tevreden worden met hetgeen Hij ons geeft.  Laten we Hem danken voor de overvloed die Hij schenkt, zelfs dankbaar zijn voor de beperkingen, beproevingen en verzoekingen die we mogen doorstaan in Zijn genade.

“Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt.” (Heb.13:5)

Mocht je even tijd hebben, blik dan eens terug naar de voorbije maand en schrijf eens op hoe de Heer die maand geregisseerd had, dus wat er allemaal had plaatsgevonden.  Schrijf daarnaast hoe Hij dit alles heeft geleid.  En tracht eens tien zaken op te sommen die Zijn barmhartigheid tonen in die voorbije maand.

Vind je dit moeilijk of raakt je niet aan tien zaken, vraag dan in gebed aan Hem, niet om meer zegeningen, maar dat Hij je ogen richt op Zijn dagelijkse zegeningen in en rondom je.

God is goed!