Als we Handelingen 9:4-7 langs Handelingen 22:6-9 leggen, lijken we te kunnen vaststellen dat de Bijbel zich rechtstreeks tegenspreekt. We lezen hier namelijk het volgende:

“En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt.  Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet.  En de mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen” (Handelingen 9:4-7).

“Maar het gebeurde mij, toen ik op mijn reis dicht bij Damascus gekomen was, dat plotseling omstreeks de middag uit de hemel een fel licht mij omstraalde,  en ik viel op de grond en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?  En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazoreeer, die gij vervolgt.  En zij, die met mij waren, zagen wel het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet” (Handelingen 22:6-9).

Hoe kunnen we dit verklaren? Staan er nu eenmaal fouten in de Bijbel en moeten we dit zomaar aanvaarden? Moeten we de woorden in de Bijbel toch niet zo nauw nemen?  Kunnen door de eeuwen heen mensen Gods Woord hebben aangepast zodat we nu met tegenstellingen zoals deze zitten?  Is de Bijbel niet meer dan een verslag van mensen die vanuit hun oogpunt de Godheid proberen te beschrijven en verklaren?

Zelf geloof ik in een soevereine God die boven alles staat en alles onder controle heeft. Hij leert ons zelf in Zijn Woord dat er niets gebeuren zal zonder dat Hij dat zou toelaten.  Als deze God dan zegt dat Zijn Woord van Hem is en compleet (cf.2Tim.3:16), kan het niet dat er ook maar één tegenstelling in voorkomt. Hoe kan ik leren vanuit Zijn Woord als het op zichzelf niet eens een aansluitend geheel vormt? Waar is de goddelijke identiteit van dit boek naar toe indien het zichzelf tegenspreekt?  Waar is dan het gezag van de Schrift naar toe?

Omdat ik met heel mijn hart weet dat dit niet zo is, ga ik er onmiddellijk van uit dat ook hier een verklaring voor is en waarschijnlijk de fout ligt bij de menselijke uitleg. Daarom, wegens gebrek aan kennis van het Grieks, even enkele andere vertalingen er langs leggen die misschien het een en ander kunnen verklaren.

Zowel NBG51, SV als NBV geven niet meer duidelijkheid hierover. De Engelstalige vertalingen daarentegen geven een stuk meer duidelijkheid en doen alles terug in mekaar passen. De NASB (New American Standard Bible) vertaalt Hand. 9:7 ; 22:9 als volgt:

“The men who traveled with him stood speechless, heering the voice but seeing no one” (Handelingen 9:7)

“And those who were with me saw the light, to be sure, but did not understand the voice of the One who was speaking to me” (Handelingen 22:9)

Het eerste vers vertelt duidelijk dat de mannen een stem hoorde, maar niemand (dus geen persoon) zagen. Terwijl het tweede vers zegt dat de mannen een licht zagen (dit is geen persoon) en de stem wel hoorden maar niet begrepen.

Zo kan je in het Nederlands het werkwoord horen op twee verschillende manieren gebruiken. ‘Ik hoor je niet’ kan betekenen dat je de persoon niet hoort, of dat je hem niet verstaat. De mannen hadden dus een licht gezien, maar geen persoon. (Zou ook niet kunnen want niemand heeft God ooit gezien zonder te sterven). Ze hadden een stem gehoord, maar enkel Paulus begreep deze.

Een betere vertaling van Hand. 22:9 zou dus zijn: “En zij, die met mij waren, zagen wel het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, begrepen zij niet.”

De tegenstelling zat dus in de interpretatie van de vertaling en niet in Zijn Woord.

Sola Scriptura