“Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.” (1Pet.5:8)

Iemand die we allemaal kennen en en van wie we toch zo weinig van weten is satan.  Toch vernoemt God hem geregeld in Zijn Woord en geeft Hij verschillende omschrijvingen van deze duistere persoon.  Zo wordt hij o.a. omschreven als de duivel, de boze, de onreine geest, de aanklager, de draak, de (oude) slang, de brullende leeuw, de mensenmoordenaar, de vader van de leugen, de verderver, de tegenstrever van God, de vorst van het rijk van de duisternis, de gevallen engel, de vorst van de demonen, de overste van de boze geesten, de overste van deze wereld, de god van deze eeuw, de god van deze aarde en een ‘engel van het licht’.

Al deze omschrijvingen samen geven weer dat satan een machtig iemand is die we niet moeten onderschatten.  Niet zomaar waarschuwt Petrus de gemeente om waakzaam te zijn voor haar tegenpartij omdat ze een doelwit is van hem.  Maar hoe zit dat nu, horen we als Christenen satan te vrezen en kan satan nog invloed uitoefenen op Christenen, mensen die gered zijn door het bloed van Jezus en wiens redding verzegelt is door de inwoning van de Heilige Geest?

Het beeld van satan dat er heerst onder de Christenen kent twee extremen.  Sommigen zien achter ieder kwaad het werk van satan en vergeten dat satan niet de enige tegenstander is, maar dat iedereen leeft in een vervloekte wereld waarin de zonde in eenieders hart nog steeds een actieve rol speelt.  Anderen daarentegen negeren het bestaan van satan en zijn demonen en wanen zich onoverwinnelijk en bestand tegen eender welke mogelijke aanval.  Beiden missen ze de balans die God weergeeft in Zijn Woord.

Als Christen hebben we drie grote vijanden die onze ogen van God (Christus) willen doen wijken.  De grootste vijand woont binnenin en zit genesteld in ons hart, ons verstand, gevoelens, wil en geweten.  Dit is de zonde, die nog steeds een actieve rol heeft en geheel onze wil, die geleidelijk aan groeit naar het beeld van Jezus, tracht te overheersen.  Deze vijand kunnen we niet ontlopen, maar moeten we steeds trotseren.  Een ander vijand die ons tracht te beïnvloeden is de wereld.  De huidige wereld, het casino van satan, waarin de leugen in ongekende mate verspreid is tracht op tal van manieren ons te beïnvloeden en te verleiden.  Deze invloed hebben we voor een groot deel in onze eigen handen omdat we grotendeels zelf kunnen bepalen hoe en wanneer we ons blootstellen aan dit potentieel gevaar.  De derde vijand is satan zelf die christenen tracht te verslinden.  Hier staan velen, waaronder ikzelf,  te weinig bij stil.  Toch is het wijs om je vijanden te leren kennen, want daardoor leer je hun doelen en tactieken kennen en kan je je er tegen wapenen.  (Een boek hierover dat ik een echte aanrader vind is ‘De duivel ontmaskerd’ van Warren Wiersbe.)

In dit artikel wil ik even stil staan bij de vraag of satan nog rechtstreekse invloed kan uitoefenen op Christenen.  Kunnen er situaties zijn waarin God Zijn geliefde kinderen, gekocht en betaald met Zijn bloed, als het ware overlevert aan satan? Het antwoord hierop is simpel… ja!  God kan Christenen voor een bepaald doel, binnen door Hem bepaalde grenzen, voor een door Hem bepaalde tijd, overleveren aan satan.  Voor dat we hier een viertal voorbeelden van gaan opzoeken in de Bijbel, wil ik wel even duidelijk stellen dat ik hiermee niet suggereer dat een Christen bezeten, of volledig onder de controle, kan zijn door satan (of een van zijn demonen) of dat satan macht heeft over de ziel van Gods kind.

Job, godvrezend en wijkend van het kwaad (Job.1:8)

“En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht;…  Zie, hij zij in uw macht; alleen, spaar zijn leven.” (Job 1:12: 2:6)

Niemand was op aarde als Job, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.  Op een bepaalde dag wordt Gods dienstknecht, Job, het onderwerp van discussie tussen God en satan.  Deze laatste beweerde dat Jobs houding bepaald werd door alle genade die de Heer hem schonk.  God leverde Job over aan satan voor een bepaalde tijd en met door Hem opgelegde grenzen.  Job verloor eerst al zijn bezittingen en zijn familie.  Daarna werd ook zijn gezondheid aangetast door satan.  In heel zijn leven heeft Job nooit geweten waar zijn verzoekingen vandaan kwamen en waarom ze gebeurden.  Toch bleef hij volharden in zijn geloof en zijn ogen richten op de soevereine God.

Deze verzoeking is doorheen de eeuwen tot op heden een voorbeeld en een zegen voor allen die gebukt gaan onder zware verzoekingen of beproevingen.  Door het lijden van een persoon heeft God velen gesterkt en bemoedigd.  Daarbovenop laat God niet enkel zien dat geheel de verzoeking in Zijn soevereine hand verloopt, maar Hij laat op het einde ook Zijn barmhartigheid en liefde voor Zijn kinderen zien:

“En de HERE bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de HERE gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had.” (Job 42:10)

God leverde Job aan satan voor een bepaalde tijd en door Hem bepaalde grenzen uit om de echtheid en het karakter van ware godsvrucht te tonen.  De onmogelijkheid om de verlossing van een geredde ziel te ontnemen, zelfs niet door ziekte en lijden.

Jezus, rechtvaardig in alle opzichten (2Kor.5:21)

“Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel.” (Mat.4:1)

Jezus werd door de Geest geleid naar de woestijn om daar verzocht te worden door de duivel.  Hij vastte daar gedurende veertig dagen en net op het moment dat Hij lichamelijk zwak was komt de duivel om Hem te verzoeken.  Jezus blijft Zijn ogen richten op Zijn Vader en Zijn Woord en wijkt niet.  Uiteindelijk liet satan Hem met rust.  Ook laat God de persoon die verzocht werd niet zomaar achter en toont Hij opnieuw Zijn barmhartigheid.  Deze keer stuur Hij engelen om Jezus te dienen.

God gaf Jezus over aan satan om Zijn volmaakte rechtvaardigheid te bewijzen, net datgene dat ons nu wordt toegerekend (2Kor.5:21).

Paulus, een apostel van Christus Jezus (2Kor.1:1)

“Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid.” (2Kor.12:7-9)

God leverde Paulus ook voor een bepaalde mate over aan satan.  Hij liet toe dat satan hem in bepaalde mate liet lijden onder fysische pijn om hem afhankelijk te maken en te houden van Hem.  Het “met vuisten slaan” komt van het Grieks woord kolaphizo wat ook kan omschreven worden als ‘een klap met de vuist geven’, ‘mishandelen, met geweld en minachting behandelen’, dus slaat dus op het beschadigen van huidweefsel en beenderen door het slaan met de vuist.  Paulus heeft tot driemaal toe in gebed gesmeekt tot God om deze doorn weg te nemen.  Hij wist dat de soevereine God dit kon.  Maar om hem nederig te houden en afhankelijk van Hem liet de Here de doorn zitten.

Toch zien we ook hier weer God barmhartigheid naar voren komen door Paulus niet zomaar in zak en as te zetten.  God antwoordde hem: “Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid” (vs.9).  Samen met deze woorden raakte Hij het binnenste van het hart van Paulus dat zich van toen af aan vreugde en vrede vond in deze zwakheid.  Deze les die de Heer hem leerde stopte hier zelf niet, maar ging zelfs zo ver dat Paulus kon zeggen: “Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig” (vs.9-10).

God gaf Paulus voor een een deel over aan satan zodat hij nederig en afhankelijk zou blijven en een nog meer effectieve dienaar van Hem.

Petrus, steeds gedreven door een passie en liefde voor Zijn Heer (Lc.22:33)

“Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen.” (Luc.22:32-33)

“Simon, Simon, behold, Satan has demanded permission to sift you like wheat; but I have prayed for you, that your faith may not fail; and you, when once you have turned again, strengthen your brother.” (NASB)

In Lucas 22 zien we Jezus naar Petrus toe gaan en hem aan te roepen met ‘Simon, Simon’.  Bewust gebruikt Jezus hier zijn vorige Joodse naam tweemaal om hem in compassie te wijzen op zijn oude aard die door zijn gedrag naar boven lijkt te komen.  Hij waarschuwt Petrus dat satan ernaar verlangt om naar hem te komen om hem te ziften als tarwe of anders gezegd ‘weg te blazen’.

Als de tarwe gemaaid en gedorst is, moet deze gezift (= gezeefd) worden, opdat het goede graan gescheiden wordt van het kaf en van alle verdere waardeloze materiaal. Op dezelfde manier was satan van plan om Petrus te ziften, dus het goede in hem er uit te halen zodat enkel het waardeloze, het kaf, de gesteenten en het leem van de aarde overbleven. Hij wilde Petrus nutteloos maken door zijn persoonlijkheid, vertrouwen, zekerheid en effectiviteit wegnemen.

Maar ook hier, net als bij de vorige drie voorbeelden zien we Gods barmhartigheid wanneer Jezus tegen hem zegt: maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken.”  Petrus mocht voor de verzoeking al weten dat zijn Redder voor hem al had gebeden en dat zijn geloof stand zou houden.

Waarom liet God deze verzoeking nu toe bij Petrus?  Wel, dat zien we in het volgende vers wanneer Jezus tegen hem zegt dat als hij ‘eenmaal tot bekering is gekomen’, anders gezegd ‘wanneer je terug komt’, versterk dan je broederen.  De verzoeking die Petrus zou moeten doorstaan zou God gaan gebruiken om de andere broeders te versterken, kracht en moed te geven om verder te gaan door hun de zekerheid te tonen dat God ieders geloof stand doet houden, hoe zwaar de verzoekingen ook mogen zijn.

Jij, door geloof voor eeuwig behouden

Ook wij als gelovigen zijn niet vrij van satans invloed, teisteren en aanvallen.  De wereld is gevangen in het net van hem, maar wij zijn als Gods kinderen vrijgekocht voor eens en voor altijd betaald door Zijn bloed.  Satan heeft geen macht over onze ziel, onze redding.  Toch kunnen er tijden of situaties zijn waarin God satan een bepaalde mate van vrijheid geeft om een van Zijn kinderen te benaderen.  Dit kan gebeuren wanneer een van Zijn kinderen in zonde leeft (bv. 1Tim.1:20) maar ook wanneer een kind van Hem oprecht en godvruchtig wandelt in Hem.  Er kunnen situaties en tijden zijn dat een Christen doorheen een zware tijd van lijden moet, die geen tuchtiging is van de Heer als gevolg van een persoonlijke zonde, die geen natuurlijk gevolg is van het leven op deze vervallen aarde maar doelgericht wordt veroorzaakt door satan (of een van zijn demonen).  We zullen hier op aarde, net als Job, nooit zeker weten wat de precieze oorzaken en doelen zijn van ons lijden, maar mogen wel rust vinden in Hem.  Steeds hebben we gezien dat Gods barmhartigheid niet verborgen wordt gehouden tijdens en na de verzoekingen en steeds hebben we gezien dat de verzoeking Hem en Zijn kinderen verheerlijkten en zegende.

Laten we doorheen alles onze ogen, in dankzegging richten op Christus onze Redder.  Hij die voor ons pleit en bijstaat op eender welk moment zodat wij niet verstijven in angst of de rijkelijke zegen die we mogen vinden in onze ziel niet meer vinden.

“Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.” (Heb.4:14-16)

Sola Gratia, Solus Christus, Sola Fide, Soli Deo Gloria