door H.C.Voorhoeve (1837 – 1901)

Als de grond zacht is, is het tijd om te zaaien; als de tak buigzaam is, kan hij het best gebogen worden; als de vloed nog slechts een beek is, kan hij het gemakkelijkst worden gestuit of geleid. Begin daarom de opvoeding van je kinderen van de vroegste jeugd af. Hoe langer je het uitstelt, hoe moeilijker het zal zijn voor je. Hoe eerder je begint, hoe makkelijker het gaat voor jou en je kinderen.

“Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehaaglijk in de Here.” (Kol.3:20)

Prent je kinderen vroeg in dat ze je onmiddellijk en zonder tegenspreken moeten gehoorzamen. Dit zal jou en hun veel verdriet besparen. Hebben zij eenmaal gehoorzaamheid geleerd, dan zullen zij er zich in verblijden. (Spr. 22 : 6; Kol. 3 : 20; Efez. 6 : 1-3.)

Verbied hun niet te veel, maar zorg dat, hetgeen je eenmaal verboden hebt, ook gelaten wordt. Te veel verbieden maakt de kinderen ongehoorzaam; want wij moeten nooit vergeten, dat kinderen kinderen blijven en blijven moeten. Zij kunnen niet altijd rustig en stil zijn, maar moeten vrolijk kunnen zingen en springen. Stoor daarom hun spelen niet, omdat het aangenamer is voor jou wanneer er voortdurend stilte in de kamer heerst.

Geef hun nooit iets, waar zij om dwingen.

Dreig zelden, maar houdt altijd woord.

Beloof niets zonder zeker te zijn, dat je het kunt nakomen. Je kinderen moeten je kunnen vertrouwen. Wanneer je echter voortdurend dingen belooft, die je toch niet kunt geven, of met straffen dreigt, die je toch niet kunt toepassen, dan zullen zij al gauw bemerken, dat je je woord niet houdt. Vertrouwen is een van de hoofdvereisten van een goede opvoeding. Is vertrouwen aanwezig, dan gaan alle dingen veel beter en gemakkelijker.

Prent hun daarom ook vroeg in dat ze altijd en bij elke gelegenheid de waarheid moeten spreken. Indien je hun toestaat in kleine dingen onwaar te zijn, dan zullen zij het al gauw óók  in grote dingen  zijn, en dan verliezen ze weldra alle achting voor de waarheid. Maar om dit bij je kinderen te kunnen bewerken, merk je al gauw, dat jijzelf in de allereerste plaats waar moet zijn. Je kinderen moeten je tot voorbeeld kunnen nemen.

Straf je kinderen altijd wanneer ze je bewust ongehoorzaam zijn. Schrik niet terug voor kastijding, maar gebruik de roede, waar die nodig is. (Spr. 13 : 24; 22 : 15.) Denk aan Eli, hoe hij zichzelf, zijn zonen, ja, geheel Israël, in ellende bracht, doordat hij zijn zonen niet eens zuur aankeek. Maar denk bovenal aan de handelwijze van de hemelse Vader, die ook kastijdt, en die iedere zoon, die Hij liefheeft, tuchtigt. (Hebr. 12.)

” Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering,en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt.” (Heb.12:4-6)

Straf echter niet, wanneer je boos bent. Wees kalm en ernstig. Ben je boos, wacht dan, want anders straf je te vlug, te hard en te veel. (Spr. 14 : 29; 16 : 32.)

Wanneer je kastijdt, gebruik dan geen wrede straffen. “Neemt de roede,” zegt Salomo, “en je zult zijn ziel van de hel redden” (Spr. 23 : 14). Het gaat dus om het behoud van het kind; lichamelijk en geestelijk. Je moet dan ook de roede biddend gebruiken. Ik zou willen zeggen: “Gebruik  ze, maar bidt God, dat Hij ze zegene.” – Een kleine jongen had gestolen en gelogen. Zijn vader liet hem tot zich komen, sprak met hem over de grootheid van zijn zonde en over de noodzakelijkheid om hem te straffen; hij bracht hem onder ogen, dat de gevolgen van zijn schuld veel ernstiger waren dan alle bestraffing. Daarna kastijdde hij hem. Dit werd voor het kind gezegend, dat van dit ogenblik af geen leugen of bedrog meer overwoog. Harde woorden en slaan zouden dit zeker niet uitgewerkt hebben. (Ef. 6 : 4.)

“En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren.” (Ef.6:4)

Wees niet onrechtvaardig in je straffen. Vele ouders kastijden hun kinderen, wanneer zij het een of ander gebroken hebben, maar niet, wanneer zij bijvoorbeeld gelogen hebben. Dit is niet alleen onrechtvaardig, maar ook slecht voor het zedelijk welzijn van het kind. Daardoor krijgen zij toch de indruk, dat het breken van een schoteltje erger is dan liegen!

Let vooral met wie je kinderen omgang hebben. “Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.”

Leer je kinderen al vroeg om nuttig bezig te zijn. “Luiheid is des duivels oorkussen.” (Zie Spr. 10 : 4; 18 : 9; 19 : 15.) Zorg daarom dat je steeds een gedeelte van je tijd voor je kinderen reserveert.  Spreek, lees, speel en werk met hen. Dan zullen zij graag bij je zijn, en zul je op hun karakter en op hun neigingen invloed kunnen uitoefenen.

Probeer niet om je kinderen in een hogere stand te brengen dan je zelf bent. Daardoor streel je enkel hun en jouw ijdelheid, en voer je je kinderen naar het verderf. Zij hoeven daarom niet dom te blijven; neen, echt niet! Laat hen zóveel leren, als je kan; maar laat ze blijven in de stand, waarin je bent. Wil God ze later, vanwege een bijzonder talent, een andere plaats in de maatschappij geven, dan is dit goed, en mag dat dankbaar worden aanvaard; maar streef er niet zelf  naar voor je kinderen. ’t Is bovendien een ongelukkige gedachte van vele ouders, dat hun jongens, wanneer zij bijvoorbeeld metselaars of schoenmakers zouden worden, minder hoeven te leren. Wel neen! Zorg er voor dat zij goede metselaars en vakkundige schoenmakers worden; laat ze ook hun taal, enz., goed leren, dat kan hun immers ook in hun vak te pas komen; en als ze zo hun best doen, besteden ze hun tijd nuttig, en zullen zich later flink kunnen bewegen, en zich in hun werkkring gelukkig gevoelen. Dit is heel wat beter, dan wanneer ze, om de ijdelheid van de ouders te strelen, moeten “blokken” om iets hogers te worden.

Leer je dochters het huishouden. Dáár is de plaats van de vrouw. Zorg er voor dat je dochters nederig en ingetogen blijven, zodat ze je kunnen helpen in het huishouden, en later, wanneer zij dametjes geworden zijn, je niet in de weg zitten. Hoe dikwijls wordt door ouders de dienende stand te min geacht voor hun kinderen. En toch, hoeveel genoegen zouden zij van hen, ook voor zichzelf, hebben, wanneer zij ze opleidden tot flinke hulpen.

Moedig je kinderen aan om goed te doen, en toon hun je goedkeuring, wanneer zij iets goeds verricht hebben. Misschien kun je eens met hen een zieke of arme bezoeken, zodat zij het leed en de ellende zien, en zij het verlangen krijgen om te helpen, terwijl het hen tegelijkertijd dankbaar zal maken, dat zij het zoveel beter hebben.

Sta aan je kind nooit toe, wat je in gelijke omstandigheden zelf niet zou doen.

Sta jezelf nooit toe over iets onzedelijks te lachen, noch door een glimlach dit kwaad aan te moedigen. Want wordt dit niet in het begin en in beginsel ernstig tegengegaan, dan zullen zonde en ellende de gevolgen zijn. (Ef. 5 : 3, 11, 12.)

“En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer.” (Ef.5:11)

Laat je kinderen nooit blijken, dat je het in de een of andere zaak, betreffende de opvoeding en aangaande je kinderen, met je partner niet eens bent. En laat hetgeen de een gezegd heeft, ook voor de ander gelden, zelfs wanneer je vindt, dat het verbod niet goed is. Je kunt elkaar daar later op wijzen, en, als je tot overeenstemming komt, een volgende keer anders handelen.

Maar boven dit alles, voedt je kinderen op voor de hemel. De Heer heeft ze je toevertrouwd, zodat jij ze tot Hem zou brengen. Wat een heerlijk voorrecht! Klaag daarom nooit, wanneer je veel kinderen krijgt; maar bedenkt, dat het schatten zijn, die de Heer je geeft; en dat het de heerlijkste en voortreffelijkste roeping is, verwaardigd te worden, vele kinderen te brengen tot de grote Kindervriend, om ze eenmaal met je geschaard te zien rondom de troon van God en van het Lam. Spreek daarom veel met je kinderen over de Heer; vertel hun van Zijn liefde en genade voor verloren zondaren; zeg hun, dat zij, om voor eeuwig behouden te worden, hun hartjes moeten geven aan die liefdevolle Jezus, die de kinderen zegende, en zei: “Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want der zulken is het koninkrijk der hemelen.”

De opvoeding is ongetwijfeld een moeilijk werk; maar in de kracht en in de gemeenschap van Hem, die ons een volmaakt voorbeeld van opvoeding gegeven heeft, wordt het moeilijkste licht. Laten wij daarom veel in Zijn gemeenschap leven, zodat onze kinderen in onze woorden en daden de liefde, de zachtmoedigheid en de ernst van de Here mogen opmerken en daardoor gedreven worden om dezelfde gemeenschap te zoeken, die ons zo gelukkig maakt!

H.C.Voorhoeve (1837 – 1901)