Grootmoeder, dochter en kleindochter besluiten om eens een dagje met elkaar op te trekken.  Na een hele dag winkelen komen ze samen in het huis van kleindochter waar een grote verrassing voor grootmoeder staat te wachten.  Kleindochter heeft namelijk rode kool met braadworst op het menu staan, het lievelingsgerecht van grootmoeder!  Ietwat vermoeid kijkt grootmoeder van aan de keukentafel naar het fornuis waar kleindochter de pan voor de braadworsten op het fornuis alvast klaar zet.  Even daarna neemt kleindochter de braadworsten uit de koelkast en begint één voor één de uiteinden van de braadworsten af te snijden om ze vervolgens in de pan te leggen.  Grootmoeder ziet dit alles gebeuren en fronst een beetje haar wat grijzige wenkbrauwen waarop ze aan haar dochter vraagt, ‘Koken jullie nog altijd in dat kleine pannetje?’  Blijkbaar was het afsnijden van de uiteinden van de braadworsten een gebruik dat bij grootmoeder was begonnen omdat ze destijds een te kleine pan had.  Moeder had dit als kind gezien en overgenomen waardoor kleindochter ditzelfde nu ook nog steeds deed, maar dan wel in haar grote pan. 

Mensen zijn routinebeestjes, ze doen de dingen graag zoals ze die gewoon zijn.  Zoals ze die altijd hebben gedaan. Op zich niet verkeerd, maar het gevaar dat hierbij komt loeren is dat we weinig of niet meer gaan stilstaan bij het ‘waarom’ we de dingen doen zoals we die doen.  We doen alles zoals we denken dat het goed is.  En als we niet meer nadenken bij wat we doen en er maar vanuit gaan dat hetgeen we doen goed is, krijgen we kenmerken van een dwaas en gaan we ook zo handelen.

‘De weg van de dwaas is juist in zijn eigen ogen, maar wie naar raad luistert, is wijs.'1 Spreuken 12:15

Deze houding vinden we ook terug in ons geloofsleven.

  • Ik ga naar de kerk… omdat mijn ouders dat deden.
  • Ik lees in de Bijbel… omdat dit zo hoort.
  • Ik probeer goed te leven… omdat dit netjes is.
  • Ik dien in de kerk… omdat ik dat graag doe.
  • Ik ben een christen… omdat ik daar zo stilaan ben ingerold.

Als christenen die wekelijks naar de kerk gaan, veelal met dezelfde mensen optrekken en voortdurend met hetzelfde Boek bezig zijn, moeten we ervoor waken dat we ‘onze eerste liefde’2 Openbaring 2:4 ‘Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten.’ nooit verlaten.  Dat we gaan vergeten wie we zijn en met welk doel wij hier op aarde zijn geschapen.  Wat dit doel belemmert en welke rol Christus hierin heeft voor de hele mensheid.  Mijn gebed is dan ook dat onze komende reis doorheen de Bijbel onze liefde voor Christus nog meer of opnieuw mag aanwakkeren.

Daarom wil ik even helemaal terug gaan naar ons fundament, ons grondbeginsel.  Hetgeen dat aan de basis van de mensheid ligt.  En neen, daarmee bedoel ik niet dadelijk Jezus Christus.  We gaan terug naar de vooravond van de hele schepping.

Uniek geschapen als mens

Vooraleer er ook maar sprake was van de mens, zien we in Genesis dat er een hele schepping aan vooraf gaat.  De drie-ene God besloot om uit het niets iets te gaan maken wat wij nu kennen als de aarde, omringd door zon, maan, sterren en planeten.  Waarom besloot God eigenlijk om zo’n wereld te maken?

Hij deed dit niet voor Zichzelf!  Daar had de Oneindige helemaal geen nood aan.  Nog voor hij ook maar iets had geschapen was Hij reeds volmaakt gelukkig in Zichzelf.

God schiep deze wereld om Zijn glorie zichtbaar te maken.  God wilde naar buiten laten stralen van wie Hij in wezen is.  Hiervoor maakte Hij een aarde, waar er licht moest zijn, een hemel, land en zee, bomen en planten, dag en nacht, zeedieren, dieren in de lucht en dieren op het land.  En telkens nadat Hij iets geschapen had, zag Hij dat het goed was.

De wereld is een spiegel  waarin we de kracht en de goedheid van God zien weerschijnen3 Psalm 19:2 ‘De hemel vertelt Gods eer, het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.’.  De wereld is als een vakkundig geweven tapijt waarin we de vaardigheid en wijsheid van de Maker kunnen zien.

Of zoals de 17de eeuwse predikant Thomas Watson het omschrijft: ‘God heeft ons niet enkel de Bijbel gegeven als boek om in te lezen, maar gaf ons ook het scheppingsboek.  Kijk naar de hemelen, want ze tonen veel van Gods glorie.  De zon verguldt de wereld met haar prachtige stralen.  Zie de sterren, hun vaste beweging in hun baan, hun omvang, hun licht en hun invloed.  We zien Gods glorie in vuur en vlam staan in de zon en de fonkelende sterren.  Kijk in de zee, en zie de wonderen van God in het diepe4 Psalm 107:24 ‘Zíj zien de werken van de HEERE en Zijn wonderen in de diepte.’.  Kijk naar de lucht, daar maken de vogels melodieën en verkondigen ze al fluitend de lof van hun Schepper.  Kijk naar de aarde, daar kunnen we ons verwonderen over de aard van de mineralen, de kracht van de magneet, de goede eigenschappen van kruiden.  Zie de aarde als een bruid versierd met bloemen.  Dit zijn allemaal de glorieuze effecten van Gods kracht.  God heeft de aarde zo vakkundig in elkaar gestoken, dat we Zijn wijsheid en goedheid mogen aanschouwen en Hem de lof geven die Hem toekomt5 Psalm 104:24 ‘Hoe groot zijn Uw werken, HEERE, U hebt alles met wijsheid gemaakt, de aarde is vol van Uw rijkdommen.’.’

Maar, Gods schepping was nog niet compleet.  Er ontbrak nog iets essentieel.  Het doel wat God met de wereld had, het zichtbaar maken van Zijn glorie, was nog niet verwezenlijkt.  Er moest nog iets erbij geschapen worden.  Iets dat de hele schepping met al haar pracht en praal zou bekronen.  Pas dan zou Gods plan volbracht kunnen worden.  God had nog iets nodig dat Hem persoonlijk zou weerspiegelen.  Een schepsel dat Hem, de onzichtbare God, zichtbaar zou kunnen maken op die vers geschapen wereld.  Iets dat Zijn karakter zou kunnen weerspiegelen.

Gen 1:26-28 ‘En God zei:Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!

En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.

En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!’

God maakte een schepsel dat Hij mens noemde en kroonde het met ‘met eer en glorie’6 Psalm 8:6 ‘Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen en hem met eer en glorie gekroond.’.  Hij maakte de mens ‘naar Zijn beeld en gelijkenis’. En nadat de mens was geschapen, keek God naar Zijn schepping en zag ‘dat het zeer goed was’7 Genesis 1:31 ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’.

Dat de mens naar Gods beeld is geschapen betekent enerzijds dat de mens unieke kenmerken heeft gekregen. Kenmerken die geen enkel ander schepsel kreeg.  Kenmerken die gelijken op die van de Schepper.  Zo kan de mens communiceren, redeneren, evalueren, beoordelen en construeren.  De mens kan situaties inwegen en zich in een bepaalde mate inleven.  Allemaal eigenschappen die bij de mens horen en we bij geen enkel ander wezen op aarde tegenkomen.

Maar daar stopt het niet.  De mens is niet enkel met unieke vaardigheden toegerust, maar ook met een unieke opdracht.  De onmiddellijke context van in Genesis 1:27 spreekt vooral over de man en vrouw die geschapen zijn als ‘afgevaardigd bestuurder’ (cf.Psalm 8:6-8).  Het feit dat de mens is geschapen naar het beeld van God betekent dat de mens gelijk God is en God vertegenwoordigt hier op aarde.  Wij zijn dus op aarde geplaatst om God te reflecteren of weerspiegelen.

In de Oud Testamentische tijd kwam het optrekken van het beeld van een heerser in een bepaald gebied er op neer dat deze persoon aanspraak maakte op het gezag en de heerschappij over dat gebied8 Hans Walter Wollf schrijft in zijn boek ‘Anthropology of the Old Testament’ het volgende: “Het is precies in (de mens) zijn hoedanigheid als een heerser dat hij beelddrager is van God. In het oude Oosten stond het oprichten van een beeld van de koning gelijk aan het proclameren van zijn heerschappij over het gebied waarin het beeld was opgericht (cf. Daniël 3:1,5vv.). .  Toen de farao Ramses II in de 13de eeuw v.C.  zijn beeld liet uithouwen in een rots aan de voet van de berg Nahr-el-kelb, betekende dit beeld dat hij de heerser van dit gebied was.  In overeenkomst hiermee is de mens geplaatst in de schepping als Gods beeld.”

De Hebreeuwse woorden in Genesis 1:26-27 die vertaald worden als ‘beeld en gelijkenis’ zijn tselem en demuth.  Het eerste betekent letterlijk ‘schaduw geven’ en verwijst naar een afbeelding of standbeeld9 cf. 2Koningen11:18; Ezechiël 23:14; Amos 5:26.  Het tweede woord is gelijkaardig en benadrukt eerder de ‘gelijkenis en vergelijking’10 cf.2Koningen16:10; 2Kronieken 4:3-4; Ezechiël 23:15.  Beide verwijzen ze naar iets dat gelijkaardig is maar niet identiek aan hetgeen dat ze voorstellen. Dus man en vrouw die op God gelijken maar niet aan God gelijk zijn, ze blijven schepsels met een van hogere hand opgelegde verantwoordelijkheid.

Door de man en de vrouw te scheppen naar Zijn beeld en hun in een bepaald gebied te plaatsen heeft God hun de taak als afgevaardigd bestuurder toevertrouwd.  De mens kreeg dus de taak om ‘in Gods plaats’  te regeren.  Dit regeren is de gezamenlijke functie van de man en vrouw.  Llet op de meervoudsvormen in Genesis 1:28, “God zegende hen en God zeide tot hen…”. Daarom werd de mens opgedragen: “weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar.”  De eerste man en de eerste vrouw kregen dus de opdracht om hun voort te planten zodat de hele aarde bevolkt werd met beelddragers van God die de aarde zouden besturen en regeren11 cf.Genesis 5:3 ‘Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth.’.  Hierdoor werd over de gehele aarde kenbaar gemaakt dat God aanspraak over het gezag en de heerschappij van de aarde en al haar bewoners maakt.

Uniek probleem als mens

Terug naar ons beginpunt, we zijn op zoek gegaan naar de reden van ons bestaan en kwamen tot de conclusie dat de mens is geschapen naar Gods beeld om Hem te vertegenwoordigen en te weerspiegelen op deze aarde.  Dat was het doel dat God had met de mens.  Maar… sla eender welke krant open en aanschouw de mens voor wie hij werkelijk is.  Tal van berichtgevingen over deze ‘afgevaardigde bestuurders’ van rijkdom tot armoede, van vraatzucht tot hongersnood, van natuuraanbidding tot natuurverwaarlozing, van dierenvertroeteling tot dierenuitroeiing, van verafgoding tot mishandeling, van beelddrager tot karikatuur. In bepaalde mate is de mens nog steeds een beelddrager van God, hij is nog steeds uniek toegerust, maar voert zijn unieke opdracht niet meer uit.  En dat kan hij ook niet meer doen, want de mens is slaaf geworden van een andere heerser: de zonde12 Johannes 8:34 ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.‘!  De mens is nog steeds toegerust met prachtig beeldmateriaal, maar hij reflecteert nu een andere meester, de zonde.  De zonde heerst nu in zijn hart en heeft hem aan zich verbonden13 Romeinen 6:16,23 ‘ Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt:óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?… Want het loon van de zonde is de dood’.

De mens heeft nu een mensonwaardig leven.  De mens die zondigt leeft op een mensonwaardige wijze.  Hij mist zijn doel als mens en heeft op die manier dan ook een zinloos en nutteloos bestaan.  Als we spreken over mensonwaardige omstandigheden, denken we vaak aan armoede en mishandelingen.  En in zekere zin is dit ook juist.  De kroon op de schepping, de reflector van God hier op aarde, zou rijkdom en weelde mogen uitstralen.  De vertegenwoordiger van God zou op handen gedragen moeten worden, worden verwend en vertroeteld omdat hij zo’n belangrijke rol vervult, Gods glorie uitstralen.  Aan de omgeving kenbaar maken wie de Heerser van deze schepping is.  Maar, wanneer er mensen in armoede leven of mishandeld worden, is het geven van voedsel, kleding en onderdak niet de uiteindelijke oplossing.  Ja, ze krijgen in zekere zijn een meer menswaardige omgeving, maar zolang ze niet in staat zijn om God te weerspiegelen, blijft hun bestaan mensonwaardig.  Ze zullen hierdoor niet God kunnen gaan weerspiegelen.  Het zijn pleisters op een etterende wonde, die wel een bepaald nut hebben, maar de wonde niet kunnen genezen.

Paulus schreef ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’14 Romeinen 3:23 ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God.’.  Eigenlijk zegt hij eenvoudigweg, de mensen zondigen allemaal en weerspiegelen daardoor hun Schepper niet.  Dat is nu net het probleem van de zonde bij de mens.  We weten allemaal dat zondigen niet goed is, maar weten we ook allemaal waarom dat niet goed is?  ‘Helaba, je mag niet zo’n lelijke woorden gebruiken’, zeggen we wel eens tegen onze kinderen.  Maar waarom niet?  Wat is daar zo verkeerd aan?

Het probleem dat zonde veroorzaakt in de mens, is het feit dat het de mens nutteloos maakt.

‘Er is niemand rechtvaardig, ook niet één,  er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.  Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één.’ Romeinen 3:10-12

Heel cru gezegd had God na het scheppen van de landdieren even goed kunnen stoppen.  Dat had minder schadelijke gevolgen gehad.

Vergelijk het met een wagen.  Wat maakt een auto zo’n prachtig vervoermiddel?  Het brengt je op een aangename manier van A naar B.   Het woord auto vind haar oorsprong in het woord automobiel wat ‘zichzelf bewegend’ wil zeggen.  Maar wat als die auto nu plots niet meer start?  Mag je het dan nog een auto noemen?  Enerzijds wel want het bezit nog de volledige toerusting die nodig is.  Maar anderzijds is hij de naam auto niet meer waardig want hij is niet meer in staat zichzelf voort te bewegen.  Als auto is hij nutteloos geworden.

Zo is de mens met de zondige natuur op zichzelf nutteloos geworden.

Unieke oplossing als Mens

Hoe nutteloos de mens als beelddrager ook mag zijn geworden, toch bleef God hem, onverdiend, een ongekende waarde toekennen.  God, die met het scheppen van de wereld Zichzelf zichtbaar wilde maken, koos ervoor om de mens als beelddrager te houden.  Dit klinkt misschien heel vanzelfsprekend voor ons.  Maar heb je er al eens bij stil gestaan dat God bijvoorbeeld bij de engelen hier niet voor koos?  De engelen die zondigden hebben nooit een ‘tweede kans’ gekregen15 2Petrus 2:4 ‘Want als God de engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar hen in de hel geworpen en overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis om tot het oordeel bewaard te worden.’.  Ook de hemelen en aarde, zullen ooit volledig worden vernietigd16 2Petrus 3:10 ‘Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.’.

Het is voor God niet moeilijk om iets volledigs nieuw te maken17 2Petrus 3:13 ‘Maar wij verwachten, overeenkomstig Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.’.  Toch heeft hij ervoor gekozen om die vervallen mens terug in ere te herstellen.  Een nieuwe kans te geven.  Maar dat deed Hij niet zomaar, Hij bedacht daarvoor een plan waarin hij één iemand uitkoos, Abram18 Genesis 12:1-3 ‘De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.’.  Uit Abram zou het volk Israël komen, een volk dat God hier op aarde verkoos om apart te zetten voor Hem19 Deuteronomium 7:6 ‘Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.’.  Een volk dat aan de andere volkeren, dus op heel de aarde, de Schepper kenbaar zou maken.  Of anders gezegd, Israël kreeg de rol van beelddrager van God toegewezen.

‘Ik zal Mijn heilige Naam te midden van Mijn volk Israël bekendmaken en Mijn heilige Naam niet langer laten ontheiligen. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.’ Ezechiël 39:7

God bleef ervoor waken dat Zijn Naam hier op aarde kenbaar zou worden.  Dat er reflectoren van Hem zouden aanwezig zijn.  Want dat was zijn doel met de schepping, dat Hijzelf zichtbaar zou worden gemaakt.

Een mooi voorbeeld hiervan zie we in Mozes’ pleidooi voor het volk, wanneer het weeral eens God wantrouwt.  Dit keer nadat de verspieders terugkwamen vanuit Kanaän en verhaalden dat dit land onmogelijk kon worden ingenomen door hun.  In de plaats van op Gods belofte te vertrouwen, verwierpen ze God.  Wanneer God dan aan Mozes bekend maakt dat Hij dit volk wilt uitroeien, is Mozes zijn pleidooi voor het volk heel indrukwekkend.  Mozes smeekt niet om een tweede kans om het beter te kunnen doen en zoekt geen excuses om hun gedrag te rechtvaardigen.  Hij wijst God op de gevolgen die dit zou hebben. Hoe dit Zijn eer en glorie zou aantasten.

‘Dan zullen de Egyptenaren het horen; immers, U hebt door Uw kracht dit volk uit hun midden geleid.  Zij zullen het zeggen tegen de inwoners van dit land, die gehoord hebben dat U, HEERE, in het midden van dit volk bent, dat U oog in oog gezien wordt, HEERE, en dat Uw wolk boven hen staat, en dat U overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en ’s nachts in een vuurkolom.  Zou U dit volk als één man doden, dan zullen de volken die bij geruchte van U gehoord hebben, zeggen:  Omdat de HEERE dit volk niet in het land kon brengen dat Hij hun gezworen had, daarom heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.  Nu dan, laat toch de kracht van de Heere groot worden, zoals U gesproken hebt.’ Numeri 14:13-17

Mozes denkt aan de gevolgen van het uitroeien van Israël, Gods uitverkoren volk.  De andere volkeren zouden de Naam van God in twijfel gaan trekken en bezoedelen.  God geeft Mozes hierin gelijk en benadrukt uiteindelijk waar het Hem in dit alles om gaat

‘Echter, zo waar Ik leef, de hele aarde zal met de heerlijkheid van de HEERE vervuld worden!’ Numerie 14:21

God zou het volk niet uitroeien, maar wel ervoor zorgen dat Zijn heerlijkheid  op de aarde zichtbaar zou zijn.  In heel deze gebeurtenis is het Gods glorie, het zichtbaar zijn van de onzichtbare God, die op spel staat en waar zowel God als Mozes voor waken.

Maar Israël was niet het einddoel van Gods plan.  Dat kon het ook niet zijn want Israël op zichzelf faalde ook in haar opdracht om God te weerspiegelen hier op aarde.  Hun gedachten waren verhard en er lag nog een bedekking op hun waardoor ze niet in staat waren om God te weerspiegelen20 2Korinthe 3:14 ‘Maar hun gedachten werden verhard, want tot op heden blijft diezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Testament, zonder te worden weggenomen.’.

Hier komen we nu op een cruciaal punt.  Hier komen we nu tot de essentie van ons geloof.  Hierop is alle hoop voor de mensheid gebouwd.  Hier vinden we ons herstel in menswaardigheid.

‘Die bedekking wordt tenietgedaan in Christus.’ 2Korinthe 3:14

Jezus Christus is Degene die de mensheid terug heeft hersteld in haar menswaardigheid.  God die mens werd.  God die zichzelf zichtbaar maakte in Zijn Zoon21 Kolossenzen 1:15 ‘Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping.’.  ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’, zei Jezus zelf22 Johannes 14:9 ‘Jezus zei tegen hem:Ben Ik zo’n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen:Laat ons de Vader zien?’.  Gods Zoon is de volmaakte Gods beeld dragende mens geworden.  Niet zomaar voor zichzelf, maar om allen die Hem toebehoren in staat te stellen om beelddrager van God te zijn23 Romeinen 8:29 ‘Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.’.

‘Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.’ 2Korinthe 3:18

We lazen eerde in Romeinen dat alle mensen door hun zondige natuur als beelddrager nutteloos waren geworden.  Het waren defecte auto’s die niet meer uit zichzelf konden bewegen.  In Christus zijn er nu mensen op aarde die terug Gods beeld kunnen weerspiegelen.  Wie zijn die mensen?  Dat zijn niet de vrome goedgelovige oudjes.  Dat zijn niet de radicale Moslims.  Dat zijn niet de vreedzame monniken uit het Oosten.  Dat zijn niet de Jehova’s getuigen die van deur tot deur gaan.  Dat zijn niet de intelligente atheïsten.  Dat zijn enkel de christenen.  Enkel de christenen kunnen een menswaardig bestaan leven.  Enkel zij kunnen God weerspiegelen hier op aarde.  Enkel zij zijn in staat om het doel waarmee God de mens heeft geschapen te volbrengen.  Maar… zij kunnen dat enkel in en door Christus.  Het begint met berouw en inkeer van zonden.  Het begint met een hart dat haar zondigheid belijd aan haar Schepper.  Een persoon die smeekt om vergeving.  Iemand die erop vertrouwt dat Jezus zijn zondeschuld droeg en hiermee zijn persoonlijke straf heeft betaald.  Iemand die zijn eigen ik als het ware aan het kruis heeft genageld en nu leeft voor Christus.  Iemand die geen slaaf meer is van de zonde, maar een dienaar is geworden van Jezus Christus.  Iemand die buiten Christus geen vreugde meer kan vinden omdat hij maar al te goed beseft hoe hij als beelddrager heeft gefaald en hoe hij terug een menswaardig leven vindt in Christus.  Iemand die daardoor verlangt om meer en meer op Christus te gaan lijken omdat hij weet dat hij op die manier dichter en dichter bij het doel van zijn bestaan komt, God weerspiegelen hier op aarde.

‘Hij (Jezus Christus) heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.’ Titus 2:14

Wij geloven in Christus, niet om in de hemel te kunnen komen, maar om terug beelddrager van God te kunnen zijn.  Daarom zijn wij ‘ijverig in goede werken’ omdat we op die manier Gods karakter weerspiegelen en als vertegenwoordigers van Hem hier op aarde leven.

We zijn gered door geloof en niet door goede werken.  Maar we leven niet enkel om te geloven.  Het geloof verkrijgen is niet het einddoel, maar slechts een begin.  Het is door ons geloof in Jezus, dat we goede werken gaan kunnen en willen doen.  Laat ons als christenen dan ook verlangen om meer op Christus te gaan lijken.  Niet omdat dit moet, maar omdat in Christus onze waarde als mens is te vinden.

Dus in de plaats van je af te vragen wat je nu wel of niet mag als christen, en zo de grenzen op te zoeken, stel je voortaan in iedere situatie beter de vraag:

‘Hoe kan ik Gods beeld in deze situatie het best weerspiegelen.  Hoe zou ik in Gods Naam kunnen handelen?’

Laat het feit dat we als mens geschapen zijn als beelddragers van God en als christenen in en door Christus dit beeld hier op aarde terug kunnen vorm geven tot onze gedachten en onze gebeden doordringen.

Laat ons menswaardig gaan leven!

Soli Deo Gloria

 

Voetnoten   [ + ]