Jezus’ discipelen kregen niet enkel te horen dat ze het zout van de aarde waren, Hij ging Zijn rede verder met hun “licht van de wereld” te noemen.  Zout en licht lijken op het eerste zicht totaal verschillend aan en geen verband te houden met elkaar.  Maar als we beide objecten wat naderbij bekijken, zien we al gauw dat ze een aanvullende functie hebben.  John MacArthur schrijft het zo: “Zout en licht hebben een totaal verschillende functie.  Terwijl zout vooral verborgen werkzaam is, is het licht zichtbaar.  Zout werkt van binnenuit, licht langs buiten.”    Net als bij het zout weten we allemaal wel wat “licht” is, maar is het niet altijd even makkelijk om daarbij uit te leggen wat Jezus hier exact mee bedoelt.  Weeral hebben we makkelijk een ‘mening’ over de betekenis van deze tekst, maar niet even makkelijk een duidelijke ‘overtuiging’ van de waarheid die deze tekst bevat.  Laten we daarom samen gaan graven in dit tekstgedeelte en zien welke parels we hierbij naar boven kunnen halen.

“U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken” (Matt.5:14-16).

Verlichte zoutvaten

U bent het licht van de wereld.”

God omschrijft in de Bijbel de wereld vaak als een plaats van duisternis, een donkere plek waarin alles verborgen lijkt (Matt.4:16; Joh.3:19, 12:46; 1Pet.2:9; 1Joh.1:6).  Zonder licht is het onmogelijk om je doel te bereiken.  Je kunt hooguit blindelings alles aftasten en op je gevoel verder gaan, maar verloren lopen doe je sowieso want je weet niet waar je naar toe loopt.  Het leuke aan licht is dat het de duisternis doet verdwijnen en mensen in staat stelt om een beeld te hebben van de situatie waarin men zich bevind.  Net dat is hetgeen wat Jezus kwam doen, de mensen laten zien in welke verdorven toestand ze leven en hoe ze hieruit gered kunnen worden.  Hij kwam de mensen de weg naar God wijzen (Joh.14:6).  “En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heen gaat” (Joh.12:35). Hij bracht licht in de donkere wereld.

Jezus noemt ons, op gelijke wijze als bij het zout, ook licht van de wereld.  Geen oproep om licht te zijn, maar een stellige bevestiging “U bent… “.  Christenen zijn allemaal licht.  Belangrijk om te weten is dat Jezus zichzelf ook het licht der wereld noemt: “Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Joh.8:12).  Als Jezus dan stelt dat Zijn volgelingen ook het licht zijn, heeft dit alles te maken met het weerspiegelen, het reflecteren van Hem.  Christenen zijn niet zelf “het licht”.  Hij is de zon en wij Zijn manen die Zijn licht weerkaatsen (cf.2Kor.4:6).  Christenen zijn op de wereld om de waarheid van Jezus Christus bekend te maken aan de wereld.  Ze zijn de enige mensen op aarde die de mensen kunnen laten zien waar alles naar toe leidt en hoe ze terug op het rechte pad kunnen komen.  Niemand anders kan dit doen omdat ze zelf de weg niet kennen.  Hier is geen grote theologische kennis voor nodig, enkel een wedergeboren hart om te getuigen van de hoop die in hem woont (cf.1Pet.3:15).

Zout en licht hebben in deze verzen dus een aanvullende werking.  “Zout is de meer indirecte invloed van het Evangelie, terwijl licht meer verwijst naar de directe communicatie.  Zout werkt voornamelijk door ons leven, terwijl het licht hoofdzakelijk werkt door hetgeen we onderwijzen en prediken.  Zout is voor een groot deel negatief.  Het kan verdorvenheid vertragen, maar het kan verderf niet omkeren.  Licht is positiever.  Het laat niet enkel zien wat verkeerd en leugenachtig is, maar helpt ook om wat waarheid is en juist te verkrijgen.” (MacArthur, 1985)

Verhoogde plaatsen

Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.  En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn.”

De steden werden destijds vaak op een berg gebouwd om zo enigszins beter beschermd te zijn voor vijandelijke aanvallen.  Vaak werden ze gebouwd van witte kalksteen die de zon sterk weerkaatste.  Al van ver kon je de stad dan op de berg zien schitteren.  ’s Avonds werden alle huizen verlicht met een olielamp.  Al die kleine lichtjes zorgden dan in het donker voor een prachtig, duidelijk zichtbaar, tafereel.  Een stad op een berg kon dus werkelijk niet verborgen zijn.  Sterker zelfs, ze viel op in het landschap.

Op gelijkaardige manier kan een christen niet verborgen zijn in de wereld.  Zijn gedachten, gebruiken en woorden kunnen niet anders dan opvallen omdat ze totaal verschillend zijn vergeleken met die van de wereld.  Waar de wereld blindelings dwaalt en hopeloos haar ontstaan en doel op aarde gevoelsmatig tracht te achterhalen, hebben christenen dit doel voor ogen.  Deze ‘geheimenis’ is hun geopenbaard door Jezus en door het Woord van God.  De ogen waarmee een christen kijkt naar de wereld en de oren waarmee hij luistert naar haar geluid zijn anders waardoor de woorden uit zijn mond en de gedachten van zijn hart ook verschillen met die van de wereld (Matt.13:11, 15-16).

“Ja maar, moet je als christen dan steeds je mond open doen en het Evangelie vertellen?  ‘k Ben toch gered door geloof en niet door werken?”, is een vraag die geregeld wordt gesteld.  Paulus antwoordt hierop heel stellig: “Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid” (Rom.10:9-10).

Jezus had op de vraag of we het Evangelie ‘moeten’ verder vertellen, als “Koning der koningen en Heere der heren” (Op.19:16), eenvoudigweg kunnen antwoorden: “Ja, omdat Ik het zeg!”  Maar in Zijn barmhartigheid geeft Hij hier de logische verklaring voor in vers 15: “men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat.”  In een tijd zonder elektriciteit was een olielamp vaak de enige lichtbron in het huis.  Wanneer het donker zou zijn en men licht wou hebben, zou het onlogisch, zelfs dwaas zijn als men de lamp zou aansteken om daarna onder iets te verstoppen.  De lamp zou dan compleet zijn  doel missen en de woonkamer zou even donker uitzien als ervoor.  Wanneer men een olielamp aan stak, plaatste men die net op een standaard in het midden van de woonkamer zodat zoveel mogelijk oppervlakte verlicht kon worden.

Hiervoor zijn christenen dus geroepen.  Dit is de functie van een christen hier op aarde, licht geven!  En voor wie?  “Voor allen die in het huis zijn”, voor de hele wereld dus!

Verheerlijkende werken

Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.”

Opvallend in dit vers is de beschrijving “laat uw licht ‘zo’ schijnen.”  Hiermee geeft Jezus aan dat het licht op verschillende manieren kan schijnen, sterker zelfs, het kan gepositioneerd worden.  Een christen is licht, maar kan dus toch nog steeds verborgen blijven in de wereld.  Dit ligt meestal niet aan het diepe verlangen van de christen, maar aan een diepe inwendige angst om het Evangelie te verkondigen.  Dit is een diepe worsteling waar ikzelf al zolang ik me kan herinneren mee worstel.  “Verwacht Jezus werkelijk van mij dat ik huis aan huis ga om ‘het licht te brengen’ ?“, was een van de vragen die in mijn gedachten woekerde.  Jezus geeft in vers 16 hier een antwoord op.  Het licht schijnen gaat verder dan enkel maar aan iedereen het Evangelie vertellen.  Het is meer dan enkel laten weten wat je gelooft.  Het licht wordt zichtbaar door goede werken te doen!  Dingen ondernemen, beslissingen maken, doelbewust leven.  Jezus zegt ook “laat uw licht zó schijnen dat…”.  We kunnen dus zelf bepalen hoe we ons licht willen laten schijnen.  We kunnen bepaalde posities innemen die er al dan niet voor zorgen dat we een groter gebied verlichten.  Welke positie we ook kiezen, ze moet zo bepaald worden dat de mensen je ‘goede werken’ zien.

Vaak heb ik gedacht dat deze goede werken vooral verwijzen naar het niet doen van slechte werken.  Het proberen gehoorzaam zijn aan Gods wet, weliswaar met vallen en opstaan.  In 1Pet.2:11-12 lezen we ook: “Geliefden, ik roep u op als bijwoners en vreemdelingen u te onthouden van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen de ziel. Houd uw levenswandel onder de heidenen goed; opdat zij die nu van u kwaadspreken als van kwaaddoeners, door de goede werken die zij in u waarnemen, God verheerlijken mogen op de dag dat er naar hen omgezien wordt.”  Als ik nu terugkijk valt het me ook op dat veel geloofsvragen die kinderen, tieners, zelfs volwassenen zich stellen te maken hebben met de grenzen van het christenleven.  Wat je als christen wel mag doen, en wat niet. Als dit de basis is van je christenleven, ben je sowieso in een slechte positie om licht te geven en eigenlijk ongehoorzaam aan de opdracht die Jezus geeft in dit vers.  Jezus daagt zijn volgelingen niet enkel uit om strijd te voeren tegen hun begeerten, maar om daarbovenop ook nog eens tegenovergestelde werken te doen.  Werken die volledig tegenovergesteld zijn aan de zondige begeerten.  Dit heeft mij een tijdje geleden een ‘eureka’  moment gegeven.  In de plaats van voortdurend na te gaan wat we zeker niet mogen doen, kunnen we als christen actief op zoek gaan naar het tegenovergestelde van de geboden, het omgekeerde van de zonden waar we ons van moeten afkeren en er ons hoofddoel van maken om deze na te streven.  “Wij, die bedacht zijn op wat goed is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen” (2Kor.8:21).  Goede dingen proberen te doen, niet enkel voor de Heer, maar ook voor de mensen “opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld” (Fil.2:15).

Oscar Lohuis zei het eens zo: “We zijn niet gered door goede werken, maar voor goede werken.”  Anders gezegd, geen enkele goede daad brengt ons dichter bij God, maar goede daden maken ons wel gelukkig bij God.  We voelen ons ‘thuis’ als we goede daden kunnen doen, simpelweg omdat we hiervoor geroepen zijn.  Dat is het doen van christenen hier op aarde, goed werk verrichten;  Weliswaar “door vast te houden aan het Woord van het leven” (Fil.2:16), maar ook dit is heel praktisch.

Een tijdje geleden behandelden we samen met de kinderen het vers: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Hand.20:35).  In de plaats van af te wachten tot er zich een situatie voordeed waarin ze dit konden vorm geven, gingen we zelf naar iets wat de kinderen konden geven.  We besloten om hun een cake te laten bakken die ze achteraf mochten weggeven aan twee oudjes.  Vol enthousiasme begonnen ze eraan en met plezier in hun hart bereidden ze de cake.  Ze werd echt “met liefde gemaakt!”  Nadat de cake klaar was, vertrokken we met z’n allen naar de oudjes om hun deze cake te geven.  Het plezier in de harten van de kinderen (en ook de oudjes) was groot.  Hiermee waren we dus actief op zoek gegaan hoe we een goed werk konden ‘scheppen’.  In de plaats van te wachten tot er zich en gelegenheid voordeed, gingen we doelbewust te werk.  Dit is de houding die we moeten proberen te creëren bij onszelf, dat is hetgeen waar Jezus naar verwees.

Conclusie

Jezus’ discipelen, de christenen, hebben een tweevoudige unieke functie hier op aarde.  Enerzijds remmen ze het moreel verval in deze wereld nog enigszins af en maken deze wereld hierdoor nog ‘smakelijk’ om in te leven.  Anderzijds zijn ze de enige lichtpunten in deze geestelijk donkere wereld waarin niemand nog in staat is om God te leren kennen en te dienen.  Iedere christen kent deze weg naar de Heer en schijn als het ware op de weg die naar de Hem leidt waardoor God kenbaar gemaakt wordt hier op aarde.  Dit schijnen gebeurt door het verkondigen van Zijn Woord in woorden én daden.

Dit is niet altijd even makkelijk en brengt veel strijd met zich mee.  Gemakkelijk dwalen christenen af van hun opdracht en laten ze zich verwikkelen in wereldse begeerten en gedachten.  Daarom hoort ieder christen er op te letten dat hij of zij doelgericht blijft leven en niet geleefd wordt.  We moeten steeds voor ogen houden waarom onze Verlosser ons nog een tijd op aarde geeft en dat doel zo effectief mogelijk proberen na te streven.

“Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2Kor.5:9-10).

Laten we samen als lichtgevende zoutvaten in onze omgeving functioneren.  “Houd sterk aan in het gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging. Wandel met wijsheid bij hen die buiten zijn,  en buit de geschikte tijd uit” (Kol.4:2,5).

Soli Deo Gloria