Ooit al eens afgevraagd waarom God ‘mensen’ schiep?  Hij schiep tal van dieren zoals vissen, vogels, zoogdieren, insecten, reptielen, amfibieën en nog veel meer.  Aan het eind van de vijfde scheppingsdag keek de Heer naar een prachtige aardbol, land en zee, gewassen en dieren, simpelweg een prachtig beeld moet dat zijn geweest.  Je zou haast denken dat het plaatje compleet was.  Een prachtig decor gevuld met tal van figuranten.  Toch volgde er nog een zesde scheppingsdag waarin Hij de mens schiep.  Hier heeft de drie-ene God over nagedacht en bewust een beslissing in genomen (Gen.1:26-27).  De mens is dus zeker geen toevallig wezen, maar een bewuste schepping, met een specifiek doel.  Welk is dan dat doel, om welke reden koos God ervoor om naast de reeds bestaande levende wezens toch nog een ander, apart wezen als de mens te scheppen?

Door werk verheerlijkende beelddragers

In Spreuken 16:4 lezen we:“de HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf.”  Met andere woorden, Hij heeft alles gemaakt tot Zijn glorie en om Hem te verheerlijken.  Dat brengt ons dan ook ineens bij het hoofddoel en de reden waarom alles, waaronder de mens, geschapen is.  Tot verheerlijking van Hem!

Maar wat betekent dit nu praktisch?  Ooit al eens afgevraagd in welk opzicht mensen verschillen van bevers, kolibries, spinnen en mieren?  Die vraag dringt door tot de kern van de manier waarop mensen God eren met hun werk.  Deze dieren zijn erg ijverig en maken complexe en wonderbaarlijke constructies.  Maar eerder zagen we al dat de mens bewust na de dieren, zelfs op een aparte scheppingsdag, geschapen werd.  De mens verschilt hierin duidelijk van een dier.  Als wij God met ons werk eren, moet er dus meer zijn dan dat soort creativiteit en ijver dat deze vlijtige dieren voortbrengen– tenzij wij willen beweren dat wij God in ons werk niet anders verheerlijken dan de dieren.  Mensen zijn, in tegenstelling tot wat de tegenwoordige wetenschap over het algemeen beweert, meer dan dieren en planten.  De mens is anders geschapen, veel beter toegerust dan eender welk ander wezen hier op aarde (Ps.8).

Wat is dan het verschil?  Laten we de eerste Bijbelse woorden over de schepping van de mens eens bekijken:

“God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen” (Gen.1:27).

Wanneer we spreken over het geschapen zijn naar Zijn beeld, denken we vaak onmiddellijk aan onze vaardigheden,  intelligentie, karakter, wil of emoties waarmee we ons onderscheiden ten opzichte van de rest van de schepping.  Wij kunnen communiceren en redeneren met elkaar, dingen bedenken en uitvoeren, dingen onderzoeken en ontwikkelen, we hebben een inlevingsvermogen enz… Allemaal eigenschappen die bij de mens horen en we bij geen enkel ander wezen op aarde tegenkomen.

Toch spreekt de onmiddellijke context van deze tekst in Genesis  eerder over de man en vrouw die geschapen zijn als ‘afgevaardigd bestuurder’ om het werk van God te doen hier op aarde (cf.Psalm 8:6-8), werk in de wereld of ‘werelds’ werk!  De mens werd geschapen om God te vertegenwoordigen hier op aarde.  (Let op, niet om God te zijn, maar om Hem te vertegenwoordigen.)  Om de mens daartoe bekwaam te maken, kreeg hij unieke vaardigheden zoals intelligentie, de mogelijkheid om te communiceren, zich in te leven, te onderwijzen enz…  Maar in de eerste plaats werd de mens dus op aarde geplaatst om een bepaald werk te verrichten.

In de Oud Testamentische tijd kwam het optrekken van het beeld van een heerser in een bepaald gebied er op neer dat deze persoon aanspraak maakte op het gezag en de heerschappij over dat gebied.  Toen de farao Ramses II in de 13de eeuw v.C.  zijn beeld liet uithouwen in een rots aan de voet van de berg Nahr-el-kelb, betekende dit beeld dat hij de heerser van dit gebied was.  In overeenkomst hiermee is de mens geplaatst in de schepping als Gods beeld.

Gelijkaardig is de mens bewust op de aarde geplaatst als beeld van God, om op aarde aan te geven dat God er heerst.  Onze schepping naar Gods beeld geeft ons rechtstreeks het voorrecht en de plicht om de aarde te onderwerpen en erover te heersen.  Met andere woorden, we moeten de schepping zo begrijpen, vormgeven en gebruiken dat de aandacht op Gods waarde wordt gevestigd en mensen tot aanbidding komen.

Dat we geschapen zijn naar het beeld van God, betekent op zijn minst dat we God moeten weerspiegelen in ons leven.  We moeten weerspiegelen hoe Hij werkelijk is, en dat niet om onszelf op een voetstuk te plaatsen (als beelddragers), maar om Hem te verhogen (als Schepper).  Mensen maken beelden van beroemde mensen om hen te eren.  God maakte de mens naar Zijn eigen beeld, opdat Hij gezien, geproefd en geëerd zou worden door wat de mens doet.

Het merkwaardige is dat het eerste wat Hij aan de mens opdraagt om te doen, werken!  Werken en God verheerlijken zijn blijkbaar nauw aan elkaar verbonden.  De mens moest over de aarde heersen en haar onderwerpen.  Landbouw, veeteelt, onderhoud en bescherming van natuur zijn daarom enkele facetten van deze opdracht.  Anderzijds vraagt dit ook om onderzoek creativiteit en komen zaken als wetenschap en techniek aan bod.  Heersen over een aarde met miljarden inwoners vraagt ook om sturing en leiding.  Dan denken we al gauw aan de verschillende regeringen en andere politieke functies.  Allemaal typische alledaagse jobs die wereldwijd worden uitgeoefend, maar oorspronkelijk zijn ingezet door God zelf.   Dus ook hier zie je dat wereldlijk werk niet slecht is, maar evenzeer een opdracht van God, het is een specifieke opdracht voor de mens.

En dat brengt ons terug bij de bevers.  Een bever onderwerpt zijn omgeving en vormt een dam met als doel: een huis.  Hij lijkt te genieten van zijn werk.  De ijver en de vaardigheid van de bever weerspiegelen de heerlijkheid van Gods wijsheid.  Net zoals de kolibries, spinnen en mieren hard werken, hun omgeving onderwerpen en fantastische constructies bouwen die goede doeleinden dienen.  Het verschil is dat mensen een moreel besef hebben en keuzes maken ten aanzien van hun werk op basis van motieven die al dan niet God eren.  Wanneer God ons opdraagt om de aarde te onderwerpen – om haar vorm te geven en te gebruiken – bedoelt Hij niet dat we het moeten doen zoals een bever.  Hij bedoelt dat we het moeten doen als mens, als een persoon met een moreel besef, die verantwoordelijkheid heeft om bewust zijn werk te doen tot eer van Zijn Schepper.  Geen enkel dier zal ooit verantwoording moeten afleggen voor zijn daden.  De mens daarentegen zal dat ooit wel moeten doen omdat hij in staat is om bewuste, morele keuzes te maken (Rom.14:12).  De essentie van ons werk als mensen moet dus zijn dat we het doen in bewuste afhankelijkheid van Gods kracht, bewust Gods kwaliteitsmaatstaven nastreven en erop gericht zijn Gods heerlijkheid te weerspiegelen.

Helaas onderscheiden veel mensen zich op dit vlak niet van de bevers en mieren.  Ze werken hard aan hun huis, carrière of andere doelen.  Ze bouwen prachtige constructies en realiseren prachtige plannen en blijven dit ‘instinctief’ doen tot aan hun dood.  Maar verder geraken ze hierbij ook niet.  Geen seconde trachten ze bewust Gods karakter te weerspiegelen in hun daden om op die manier Zijn heerschappij aan te geven.  Geen haar op hun hoofd denkt er over na of hetgeen hun bezig houdt overeen komt met Gods doelen.  Ze weerspiegelen hun moraal, maar niet perse Gods moraal.  Als beelddrager falen ze dus compleet, terwijl dit nochtans de reden van hun bestaan is.

Wordt vervolgd…