Veel mensen hebben moeite om fouten, zonden, mislukkingen en trauma’s uit hun verleden te plaatsen en te verwerken.  Voor hun is het verleden iets waarvan ze blij zijn dat het voorbij is en waaraan ze het liefst niet meer herinnert worden.  Maar er zijn ook andere mensen die eerder worstelen met het heden omdat hun verleden zo mooi was.  “De dag van vandaag is niet meer zoals vroeger.” Als zij terugblikken zien ze een prachtig bolwerk van goede en mooie herinneringen, tijden waarin God als het ware alles op hun pad leek te zegenen.  De zon in hun leven lijkt tegenwoordig als het ware belemmert te worden door dat prachtige verleden waardoor ze leven in de schaduw van dat verleden.  De zegen die God ooit rijkelijk gaf, lijkt schaars te zijn geworden.  Het geluk dat achter iedere hoek verscholen zat is ver zoek geraakt.  Vreugde vinden in alle dingen is een opdracht geworden.

In het boek Haggai vinden we een gelijkaardig situatie terug bij sommige Israëlieten.  Het boek Haggai situeert zich na de ballingschap van Israël.  De Israëlieten hadden de toelating gekregen om terug naar hun eigen land te gaan en mochten daar zelfs de tempel, die volledig verwoest was, terug heropbouwen (Ezra 1:1-4). Nadat de fundamenten van de nieuwe tempel gelegd waren was er een groot gejuich onder het volk en met trompetten en cimbalen loofden ze de Here.  Maar niet het gehele volk ervoer zulk een grote vreugde.  De oudere generatie Israëlieten die de vorige tempel indertijd nog hadden gezien werden verdrietig toen ze de fundamenten van de nieuwe tempel zagen (Ezra 3:10-13).  Zij herinnerden zich nog de tempel die de rijke koning Salomo had laten bouwen, een grote tempel gemaakt van de kostbaarste materialen en bewerkt door de beste vaklieden (2Kron. 2).  De beginselen van de tempel die ze nu zagen leken in verste verte niet eens op dat prachtig huis van de Heer dat ze vroeger hadden gezien.  In het tweede hoofdstuk van Haggai spreekt God persoonlijk tot deze mensen en zien we met welke ogen de Heer naar hun verdriet kijkt en hoe Hij er mee omgaat.  Laten we Gods boodschap daarom even observeren zodat we mogen proeven van Zijn wijsheid.

Begripvolle toenadering

“In de zevende maand, op de eenentwintigste dier maand, kwam het woord des HEREN door de dienst van de profeet Haggai aldus: Zeg tot Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, en tot het overblijfsel des volks: Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?” (Hag.2:2-4)

De soevereine God is alomtegenwoordig en niets ontgaat Hem.  Iedere omstandigheid, houding of gedachte is voor Hem gekend.  Zo zag Hij ook het verdriet bij de Israëlieten en wist waar de oorsprong van dit verdriet zich bevond. Ondanks dat God dagelijks de wereld en haar grootmachten stuurt naar de raad van Zijn wil, zien we hier dat God zich ook bekommert om het persoonlijk verdriet van individuen.  Hij laat het gejammer en getreur niet zomaar voorbijgaan, maar spreekt persoonlijk en liefdevol tot hun.  Hij weet dat de ‘tijd’ geen wonden heelt.  Voorzichtig richt Hij zich tot zij die verdriet hebben en wijst met een zachte vinger naar hun wonde.  Hij kent hun verdriet en weet de situatie te zien door hun ogen.

God is niet enkel een heilige, iedereen en alles overstijgende God, maar ook een God die dicht bij de mens woont en betrokken is met de dagelijkse noden van eenieder.  Geen zorg die Hem dus ontgaat of die Hij niet kan zien door jouw ogen.  Hij is begripvol en niet om raad verlegen.  Dit is een eerste stap bij het worstelen met het heden, het voor de Heer brengen in gebed en daarbij wetende dat je woorden niet in het ijle verdwijnen maar toekomen bij diezelfde God die we in Haggai tegenkomen.

“Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.” (Heb.4:15-16)

Doordat God waarlijk als mens hier op aarde heeft geleefd, in een even zwak lichaam als het onze (Jes.53) en gelijkaardige beproevingen en verzoekingen heeft meegemaakt als ons kunnen we zonder schaamte tot Christus gaan en vragen om Zijn barmhartigheid, Zijn hulp in onze nood.  Hij belooft om die hulp ook te schenken wanneer de tijd daarvoor rijp is!  Jezus laat zien en maakt het mogelijk voor ons om langs de treurende Israëlieten te gaan staan en te luisteren naar de woorden van de Heer.

Bemoedigende terechtwijzing

“Maar nu, wees sterk, Zerubbabel, luidt het woord des HEREN, en wees sterk, Jozua, zoon van Josadak, hogepriester, en wees sterk, al gij volk des lands, luidt het woord des HEREN, en gaat aan het werk, want Ik ben met u, luidt het woord van de HERE der heerscharen, overeenkomstig het woord dat Ik u beloofd heb, toen gij uit Egypte uittoogt, en mijn Geest in uw midden stond: vreest niet.” (Hag.2:5-6)

God is niet een God die enkel kan meevoelen met ons verdriet maar voor de rest aan de kant staat toe te kijken.  Hij is ook de Oude van dagen (cf. Dan.7) die graag Zijn wijsheid deelt aan Zijn kinderen, de Vader die Zijn kinderen graag op schoot neemt om hun te onderwijzen.  God geeft allereerst een terechtwijzing mee aan het gehele volk en haar leiders: “Weest sterk… en gaat aan het werk.”  Hij heeft begrip voor hun verdriet maar geeft hun ook mee dat ze sterk moeten zijn, ze moeten zich niet laten hangen en laten meesleuren door hun gevoelens.  Ook al is het verdriet echt, bij de pakken blijven zitten is niet de oplossing.  Integendeel zelfs, God geeft hun niet enkel mee dat ze sterk moeten zijn, maar ook dat ze verder aan het werk moeten gaan.  Dikwijls zijn tijden van verdriet de tijden dat we onszelf wat extra rust gunnen.  Onverschilligheid ten opzichte van alles behalve je verdriet lijkt dan soms verleidelijk.  Toch geeft God hun de opdracht om verder aan het werk te gaan, dus verder te bouwen aan deze ‘eenvoudige’ tempel.

Geen terechtwijzing zonder bemoediging!  God roept hun op om sterk te zijn en aan het werk te gaan, maar belooft hun ook daarbij te helpen.  God laat hun niet zomaar verder bouwen met tranen doorlopen ogen.  Neen, Hij geeft hun de garantie dat Hij voortdurend met hun zal zijn en verwijst naar Zijn gemaakte belofte.  God die met hun gaat maakt alle vrees overbodig.

“Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2Kor.5:6-10)

Paulus had dit deel van Gods wijsheid ook meegekregen en vermaant ons ook om steeds vol goede moed te blijven ondanks dat we nog gebonden zijn in ons huidige lichaam.  Hij bepaalt ons ook bij het feit dat we leven uit geloof en niet uit aanschouwen.  Hoe slecht de omstandigheden ook mogen lijken, hetgeen waarin wij geloven, waarop we vertrouwen overkoepelt dit alles en maakt dat we stand kunnen houden.  Meer zelfs, we kunnen zelfs in dat lichaam dat ons vaak zo tracht te misleiden en neer te halen, Hem welgevallig Zijn.  We kunnen de Here in eender welke omstandigheid, met eender welk lichamelijk gebrek, dienen en verheerlijken.

“Ja maar, … ik ben niet meer wat ik vroeger ooit ben geweest.  De persoon die je nu ziet is nog maar een schim van wat deze vroeger was!”, denk je dan misschien.  Dat kan dan best zijn, maar vergeet dan niet de woorden die Paulus meegeeft aan de gemeente in Rome wanneer hij schrijft: “Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God]” (Rom.14:10-12).  Iedereen is uniek geschapen.  Er bestaan niet twee dezelfde lichamen, personen, zielen.  God weet dat.  Hij weet met wat en in welke mate Hij iedereen heeft voorzien en zal op basis daarvan eenieder ook oordelen.  Wanneer God jou in genade één talent heeft gegeven, heb je ook maar één talent om in te zetten voor Zijn werk.  Wanneer Hij echter tien talenten aan jou heeft gegeven, heb je tien keer zoveel verantwoording af te leggen voor het werk dat je hebt verricht hier op aarde.  Wees dus blij met eenvoud.  Wees gezegend wanneer het heden pover lijkt want dan mag je weten dat de Heer ook niets onmogelijk voor jou in petto heeft.

Beloftevolle toekomst

“Want zo zegt de HERE der heerscharen: Een ogenblik nog, een korte wijle, dan zal Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge doen beven. Ja, Ik zal alle volken doen beven en de kostbaarheden van alle volken zullen komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HERE der heerscharen. Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, luidt het woord van de HERE der heerscharen. De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen; op deze plaats zal Ik heil geven, luidt het woord van de HERE der heerscharen.” (Hag.2:7-10)

Het eerste wat opvalt in deze drie verzen is de wijze waarop God wordt beschreven; “HERE der heerscharen.”  Het komt maar liefst vijf keer voor in deze verzen waardoor deze titel ook de context van de rest van de verzen bepaalt.  Wanneer we in de Bijbel HERE zien geschreven met hoofdletters, verwijst dit naar de Hebreeuwse naam YHWH, de heilige exclusieve naam van God, de Soevereine en over alles heersende.  HERE der heerscharen benadrukt nog eens extra de alleenheerschappij van de Schepper, God als Opperbevelhebber van alle legers en menigten.  Deze God zegt dat Zijn huis terug met Zijn heerlijkheid zal vervult worden en dat de toekomstige tempel nog prachtiger en glorieuzer zal zijn dan de tempel van Salomo.  Ook al lijkt het verleden zo prachtig, het beste moet nog komen zegt de Here.

“Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur.” (Heb.12:26:29)

De schrijver van de Hebreeën verwijst terug naar deze uitspraak van God in Haggai waardoor het duidelijk wordt dat dit beven van zowel de aarde als de hemel verwijzen naar het eind van het Duizendjarig rijk, het begin van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.  De tijd waarin het huis van de Heer haar eeuwige climax zal bereiken en wij allen voor eeuwig Hem zullen dienen, loven en aanbidden.  God laat duidelijk zien dat heel ons verleden en heden slechts stappen zijn naar een iets veel groter, iets waar we terecht naar mogen, zelfs moeten, uitzien.  ‘Daarom’ zegt de schrijver, net omdat we zulk een onwankelbaar koninkrijk van de HERE der heerscharen hebben ontvangen, zijn we sterk en vol goede moed en blijven we verder bouwen.  Doorheen onze zwakte, doorheen de bittere tijden, doorheen armoede en ziekte blijven we uitzien naar die tijd waarin God en Zijn Woord de enige maatstaf en hoop van eenieder zal zijn.  Een tijd waarin we een nieuw lichaam hebben gekregen, vrij van vloek (Gen.3).

Wanneer het verleden zoveel mooier als het heden lijkt te zijn, denken we vaak aan de dingen die we niet meer kunnen doen.  Dit moeten we onszelf afleren en in plaats daarvan horen wij ons steeds af te vragen wat we momenteel wel kunnen doen.  De periodes van armoede en schaarste, hetzij financieel of lichamelijk, zijn net de periodes waarin we onze afhankelijkheid van de Heer ten volle beseffen.  Het zijn uiteindelijk ook die periodes die de mooiste herinneringen nalaten.  Bouw dus aan je toekomst of anders gezegd… bouw aan je herinneringen van het verleden door je vandaag te richten op de Heer en aan de slag te gaan.

En weet je begrepen door de Heer, wees sterk en ga aan het werk met hetgeen je momenteel in bezit hebt en zie uit naar de komst van Christus en de heerlijke tijd die daarna zal volgen… voor eeuwig!  En niet te vergeten… God zal met je zijn, dus vrees niet.

Soli Deo Gloria