Het moeten vertrekken uit de hof van Eden, was een van de grootste geschenken die God ons gaf!

Nadat Adam en Eva gezondigd hadden, stierven ze zowel geestelijk als lichamelijk.  Door hen weg te sturen uit de hof van Eden handelde God niet wreed, maar bewees Hij juist Zijn vriendelijkheid jegens hen.

En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad;nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. Toen zond de Here God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde,om de weg tot de boom des levens te bewaken. (Gen.3:22-24)

Als Adam en Eva ook van de andere bijzondere boom in de hof – de Boom des Levens – gegeten zouden hebben, zouden ze in hun zondige hoedanigheid onsterfelijk zijn geworden.  Ze zouden nooit geschikt zijn gemaakt voor de hemel waarvan God hen wilde laten genieten.

Stel je voor dat je eeuwig als zondaar zou moeten leven, zonder mogelijkheid tot verlossing en permanente transformatie.

Hoewel ze nooit de dood als einde onder ogen hadden hoeven zien, zouden ze veroordeeld zijn tot een beklagenswaardig bestaan.  Daarom behoedde God Adam en Eva voor eeuwige zondigheid door hun de gave van de dood te geven, de mogelijkheid om dit leven te verlaten en veilig aan te komen in het wonderbaarlijke toekomstige leven.

Hoewel de dood de grootste vijand van de mens zou lijken, zou deze uiteindelijk de grootste vriend blijken te zijn.  Slechts via de dood kunnen we tot God gaan (tenzij we natuurlijk nog leven wanneer Christus terugkomt).

Uit “Eén minuut na de dood” van Erwin Lutzer