“God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.” (Gen.1:27)

De mens is geschapen naar het beeld van God.  Man en vrouw zijn geschapen naar het beeld en gelijkenis van hun Schepper.  Van alle levende wezens op aarde is de mens de enige soort die zulk een onschatbare waarde en betekenis werd gegeven.  Maar wat betekent dit nu eigenlijk?  We dragen als mensen zulk een prachtige titel als ‘beelddragers van God’ maar weten eigenlijk maar bitter weinig hierover.

Wanneer we spreken over het geschapen zijn naar Zijn beeld, denken we vaak onmiddellijk aan onze vaardigheden,  intelligentie, karakter, wil of emoties waarmee we ons onderscheiden ten opzichte van de rest van de schepping.  Wij kunnen communiceren en redeneren met elkaar, dingen bedenken en uitvoeren, dingen onderzoeken en ontwikkelen, we hebben een inlevingsvermogen enz… Allemaal eigenschappen die bij de mens horen en we bij geen enkel ander wezen op aarde tegenkomen.

Ondanks dat de tekst in Genesis 1:27 deze gedachte in een bepaalde mate suggereert, spreekt de onmiddellijke context van deze tekst eerder over de man en vrouw die geschapen zijn als ‘afgevaardigd bestuurder’ (cf.Psalm 8:6-8).  Het feit dat de mens is geschapen naar het beeld van God betekent dat de mens gelijk God is en God vertegenwoordigt hier op aarde.  Wij zijn dus op aarde geplaatst om God te reflecteren of weerspiegelen.

In de Oud Testamentische tijd kwam het optrekken van het beeld van een heerser in een bepaald gebied er op neer dat deze persoon aanspraak maakte op het gezag en de heerschappij over dat gebied.  Hans Walter Wollf schrijft in zijn boek ‘Anthropology of the Old Testament’ het volgende: “Het is precies in (de mens) zijn hoedanigheid als een heerser dat hij beelddrager is van God.  In het oude Oosten stond het oprichten van een beeld van de koning gelijk aan het proclameren van zijn heerschappij over het gebied waarin het beeld was opgericht (cf. Dan.3:1,5vv.).  Toen de farao Ramses II in de 13de eeuw v.C.  zijn beeld liet uithouwen in een rots aan de voet van de berg Nahr-el-kelb, betekende dit beeld dat hij de heerser van dit gebied was.  In overeenkomst hiermee is de mens geplaatst in de schepping als Gods beeld.”

De Hebreeuwse woorden in Genesis 1:26-27 die vertaald worden als ‘beeld en gelijkenis’ zijn tselem en demuth.  Het eerste betekent letterlijk ‘schaduw geven’ en verwijst naar een afbeelding of standbeeld (cf. 2Kon.11:18; Ez. 23:14; Amos 5:26).  Het tweede woord is gelijkaardig en benadrukt eerder de ‘gelijkenis en vergelijking’ (cf. 2Kon.16:10; 2Kron.4:3-4; Ez.23:15).  Beide verwijzen ze naar iets dat gelijkaardig is maar niet identiek aan hetgeen dat ze voorstellen. Dus man en vrouw die op God gelijken maar niet aan God gelijk zijn, ze blijven schepsels met een van hogere hand opgelegde verantwoordelijkheid.

Door de man en de vrouw te scheppen naar Zijn beeld en hun in een bepaald gebied te plaatsen heeft God hun de taak als afgevaardigd bestuurder toevertrouwd.  De mens kreeg dus de taak om ‘in Gods plaats’  te regeren.  Dit regeren is de gezamenlijke functie van de man en vrouw (let op de meervoudsvormen in Gen.1:28, “God zegende hen en God zeide tot hen…”). Daarom werd de mens opgedragen: “weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar.”  De eerste man en de eerste vrouw kregen dus de opdracht om hun voort te planten zodat de hele aarde bevolkt werd met beelddragers van God die de aarde zouden besturen en regeren (cf.Gen.5:3).  Hierdoor werd over de gehele aarde kenbaar gemaakt dat God aanspraak over het gezag en de heerschappij van de aarde en al haar bewoners maakt.

Enkel dit feit, dat we geschapen zijn om God te vertegenwoordigen, doet ons als mensen al ontzettend schuldig staan tegenover onze Opdrachtgever, God.  Sla eender welke krant open en aanschouw de mens voor wie hij werkelijk is.  Tal van berichtgevingen over deze ‘afgevaardigde bestuurders’ van rijkdom tot armoede, van vraatzucht tot hongersnood, van natuuraanbidding tot natuurverwaarlozing, van dierenvertroeteling tot dierenuitroeiing, van beelddrager tot karikatuur. In bepaalde mate is de mens nog steeds een beelddrager van God, maar wat hebben we veel verloren.  Dit besef zou ons in ‘vreze voor de Heer’ moeten doen staan en onze hoop en vertrouwen op Christus doen groeien.  Het offer dat Jezus, die het beeld Gods is (2Kor.4:4), bracht, omvatte ook dit falen en maakte dat we niet enkel vergeven zijn, maar dat we zelfs in Hem waardige beelddragers zijn.

“En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is” (2Kor.3:18).

Laten we als Christenen blijven volharden in geloof en streven naar heiliging opdat God op een waardige manier mag weerspiegelt worden hier op aarde en Zijn heerschappij verkondigt wordt hier op aarde.

Solus Christus

(geraadpleegde literatuur: “God, Marriage, and Family: Rebuilding the Biblical Foundation”, Andreas J. Köstenberger) / “Systematic Theology”, Wayne Grudem / “Basic Theology”, Charles Ryrie.)