Schuld en schuldgevoelens

In het vorige artikel hebben we onderzocht hoe we het verleden leren zien door Gods ogen.  Hierin werd duidelijk dat er niets buiten Gods plan gebeurt en we dus, als kinderen van Hem, rust mogen vinden in hetgeen achter ons ligt.  Alles verloopt volgens Zijn plan, draagt bij tot Zijn eer en glorie, doet Zijn kinderen tot Hem komen en laat hen vormen naar Zijn beeld.

Toch mogen we hier niet stoppen in onze studie over het verleden.  Moesten we dit toch doen, zouden we al snel geneigd zijn om een passief leven te leiden en onze eigen verantwoordelijkheid aan de kant te schuiven.  “God voert uiteindelijk toch Zijn plan uit, of ik me nu inspan of niet”, denken we dan al gauw.  Maar dit is een on-Bijbelse en zondige gedachte en dat willen we niet.  We willen op een godsvruchtige manier met ons verleden omgaan. 

De verantwoordelijkheid van de mens

Gods soevereiniteit over de Schepping sluit onze verantwoordelijkheid als mensen, gemaakt naar Zijn beeld, niet uit.

Paulus plaatst Gods handelen en de verantwoordelijkheid van de mens ook naast mekaar in zijn brief aan de Filippenzen als hij schrijft:

mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt” (Fil.2:12-13).

Hij vermaant hier de broeders en zusters hun behoudenis te bewerken alsof deze volledig van hun afhangt en daarnaast geeft hij duidelijk weer dat het God is die zowel het willen als het werken bewerkt.  Dit komt ook duidelijk aan bod in zijn brief aan de Korintiërs wanneer hij  schrijft:

“Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is” (1Kor.15:10).

Alles is mij genade zegt hij hier, alles komt dus toe aan de Heer, niets waar ik zelf op kan roemen.  Toch ontgaat zijn harde inzet hem niet en verwijst hij hier ook naar.  Hij zegt duidelijk dat hij zijn uiterste best heeft gedaan, maar dat dit alles onmogelijk was, zelfs niet had kunnen gebeuren, zonder dat de Heer hem Zijn genade schonk.

God leidt alles naar Zijn plan, maar de mens heeft ook een verantwoordelijkheid, een eigen aandeel , in de manier waarop vele dingen gebeuren.  Beide waarheden gaan hand in hand.

Niet voor niets drukt Paulus in zijn brief aan de Romeinen op het feit dat we allen rekenschap zullen moeten afleggen voor hetgeen we hebben gedaan (cf. Mat.12:36; Heb.4:13; 1Pet.4:5; Ez.18:20).

“Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God]” (Rom.14:12).

Geen gedachte of handeling van ons gaat de Heer voorbij.  Geen misdaad of zonde die ongestraft kan blijven (cf.Num.14:18).  God acht de mens verantwoordelijk voor zijn daden.

Eerste schuldgevoel in Eden

Een zondige mens en verantwoordelijkheid zorgen gegarandeerd voor problemen wanneer deze twee elkaar ontmoeten.  Dit werd al gauw duidelijk bij de eerste twee mensen op aarde.  Na de eerste zonde  in de tuin van Eden kreeg de mens te maken met iets dat voor hun tot dan nog ongekend was, een schuldgevoel.

“Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof” (Gen.3:8).

We staan er niet vaak bij stil, maar het moet vreselijk zijn geweest toen de mens voor het eerst geconfronteerd werd met een knagend hart dat zich het liefst van al verstopte voor zijn Schepper.   Ze kenden dit nog niet, hier waren ze niet op voorbereid, niemand had hun hier voor gewaarschuwd en plots begon er iets in hun te knagen en hun aan te klagen.

God had blijkbaar de mens tijdens de schepping voorzien van iets waar ze niet op hadden gerekend, een geweten.  Hij had in Zijn wijsheid de mens voorzien van een veiligheid die Hem verheerlijkt en de mens beschermt.  Een veiligheid die de mens onbelemmerd zijn gang laat gaan wanneer hij in gehoorzaamheid naar God leeft, maar ook  zorgt voor een geestelijke kwelling wanneer hij dat niet doet en dus rebelleert tegen Hem.  Dit zien we duidelijk naar voren komen bij Kaïn in Gen.4:6-7, wanneer God tegen hem zegt: “Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt?”  Met andere woorden zegt de Heer tegen hem dat het zijn ongehoorzaamheid is die hem beladen heeft met een knagend geweten  en een schuldgevoel.

Schuld geeft schuldgevoel

  • “Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet;  immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen” (Rom.2:14-15).
  • “Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag;  want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden” (Psalm 32:3-5).
  • “Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel” (Ez.36:32).
  • “Schep mij een rein hart, o God” (Psalm 51:12).

Zondigen, dus het niet gehoorzaam zijn aan Gods wet, maakt iemand schuldig.  Hij staat dan schuldig ten aanzien van de wet, ten opzichte van een onveranderlijk vastgelegde norm.  Wanneer we spreken van schuld spreken we dus niet over een subjectief iets dat voor interpretatie vatbaar is en van persoon tot persoon kan verschillen, zoals een gevoel of persoonlijke mening.  Als we spreken over schuld wijzen we naar de verantwoordelijkheid die ontstaan is door een tekortkoming aan een objectief iets, de wet.  Iemand is schuldig als hij Gods wet overtreedt of niet na komt.  God houdt hem daar dan verantwoordelijk voor.  Dit kan Hij doen omdat Hij ieder mens heeft voorzien van een bepaalde kennis van Zijn wet en Zijn karakter, daardoor heeft niemand een excuus en gaat dus geen enkele overtreder vrijuit.

Wanneer we ons verzetten tegen God wet, die zich kenbaar kan maken in ons geweten ofwel Zijn Woord, en ons geweten negeren, veroorzaakt het schuldgevoelens, schaamte, pijn, spijt, angst, bezorgdheid, onrust.

Bij David kwam dat heel sterk naar voren nadat Hij overspel had gepleegd en een onschuldig iemand vermoord om zijn begeerten te kunnen vervullen.  Zijn geweten gaf aan dat dit niet enkel verkeerd was, maar ook een zonde tegen God!  Toch probeerde hij zijn geweten te sussen en het zwijgen op te leggen in de hoop dat zijn wrange gevoelens van schuld zouden wegebben.  Maar de Heer liet dit niet toe en zorgde er voor dat zijn geweten dag en nacht op hem drukte en hem lusteloos maakte.  Zijn gedachten dwaalden nooit van deze zonde af, hij stond er mee op en ging er mee slapen, dag in dag uit (Psalm 32:3-5).  David worstelde met ‘gegronde schuldgevoelens’ en een knagend geweten.

“Gegronde schuldgevoelens, dus schuldgevoelens ten gevolgen van schuld, zijn een emotionele uiting van een subjectieve overtuiging van strafbaarheid wegens overtreding van Gods wet, wegens zonde, wegens tekortkoming aan Gods standaard, dat is Zijn Woord.” [1]

Een knagend geweten kan zich uiten in: 

  • Het zijn van een slechte getuige van Christus (1 Pet. 3:15-16)
  • Nervositeit (Spr.10:24)
  • Defensieve houding (Spr.21:2)
  • Angsten (Spr.28:1)
  • Slechte concentratie (Ps.38:14; Jac.1:8)
  • Depressie (Ps.32:1-4; 38)
  • Veroordelende houding (Matt.7:1-5)

Dit betekent dat als je gegronde schuldgevoelens hebt, je voelt en weet dat je jezelf niet hebt gehouden aan de smalle weg van de Heer.  De weg die is beschreven in de Bijbel.  Hoewel het eerste gevoel na de zonde plezier is (denk maar aan de verloren zoon; hij genoot aanvankelijk, Luc.15:11-32), volgen er zeker negatieve gevoelens.  Dat is maar goed ook want daaraan dankt de mensheid haar bestaan nog.  Moest God Zijn genade hebben wegnemen en Zijn Woord uit het geweten van de mensheid zou hebben gehaald door hun over te geven aan hun eigen verlangens (cf.Rom.1:24-31) zou de hel hier reeds op aarde zijn.  Wanneer iemand een geweten heeft dat niet meer alarmeert, dan heeft hij werkelijk een probleem wat we in een volgend artikel zullen bespreken.  Overtreding van Gods norm blijft niet ongestraft:

“De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat” (Num.14:18a).

Ga eens na of jouw geweten nog werkt.  Zijn er bepaalde gebeurtenissen en/of handelingen uit je verleden die je moeilijk krijgt verwerkt en geregeld in je knagen?  Waarom denk je dat deze steeds weer opnieuw naar boven komen drijven?  In de volgende artikels zullen we hier verder op inhaken.


[1]Actuele problemen in het licht van de Bijbel”, J.de Vriese, W. Barret, D. Lemmens, 1988, Gideon, p.70-72

 

Wordt, zo God het wil, vervolgd…