De Gemeente is de meest gezegende instelling op aarde, de enige die enkel door Jezus Christus zelf is gebouwd (Mat.16:18; cf. Hand.4:11-12; 20:28; 1Kor. 3:9; Heb.3:6), de enige die Hij heeft beloofd voor eeuwig te zegenen (Ef. 5:25-27) en degene waarvan Hij verklaarde dat “de poorten van het dodenrijk” haar niet zullen overweldigen (Mat.16:18).  De apostel Paulus was zelfs zo overtuigd van de prominente positie die de Gemeente inneemt dat hij ze aan Timotheüs beschrijft als “een pijler en fundament der waarheid” (Tim.3:16).  Hierdoor onderscheidt de Gemeente zich van alle andere soorten van instellingen en groeperingen.  De Gemeente is gebouwd door Christus en wordt in stand gehouden door Hem.  Alles wat de Gemeente aangaat is ondergeschikt aan Zijn wil en wordt dus volledig door Hem bepaalt.  De lokale gemeente, als onderdeel van de wereldwijde Gemeente,  valt dus ook onder het gezag van Christus.

Koninklijk priesterschap

  • 1Pet. 2:9-10 “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10 u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.”
  • 1Pet. 2:5 “en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.”
  • Kol.1:9-12           “9 Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.”

 

Petrus beschrijft in zijn eerste brief de Gemeente als een “koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom” (2:9)  dat gevormd werd “tot het brengen van geestelijke offers” (2:5).  Ook hierin wordt benadrukt dat de Gemeente God toebehoort en niet doelloos wacht op haar Heer en Verlosser.  De Gemeente heeft de unieke mogelijkheid en opdracht om “geestelijke offers” te brengen die God welgevallig zijn.  Niemand anders hier op aarde, buiten de Gemeente, is hiertoe in staat.  De Gemeente is geen formeel of statisch iets, maar een levend orgaan waarin broeders en zusters zich horen te laten gebruiken als levende stenen.

In zijn brief aan de gemeente te Kolosse dankt Paulus de Heer dat deze gemeente het Evangelie heeft aangenomen (Kol.1:3).  Maar Paulus beseft maar al te goed dat er meer dan enkel het Evangelie nodig zal zijn om van deze broeders en zusters een koninklijk priesterschap te maken dat in staat is om geestelijke offers te brengen die de Here behagen.  Daarom bidt hij ook dat ze vervult mogen worden met de rechte kennis van Zijn wil.  Het leren kennen van de wil van God leidt er namelijk toe dat een persoon de Here waardig kan wandelen en dus ook geestelijke offers kan brengen.

De beste en meest betrouwbare manier om de wil van iemand te achterhalen is door simpelweg naar deze persoon te luisteren.  Zo ook wanneer we de wil van God juist willen kennen!  God heeft aan de Gemeente Zijn woorden bekend gemaakt in een geschreven vorm, de Bijbel.  Wanneer we dus “vervult” willen worden met “ de rechte kennis van Zijn wil” horen we ons meer en meer te verdiepen in Zijn geschreven Woord, dus de Bijbel te bestuderen.

Oudsten als middel en voorbeeld

  • Heb.13:7Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.”
  • Heb.13:17 “Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen.”
  • Hosea 4:9 “zo priester zo volk”
  • Rom. 16:17 “Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen.”

Niet iedereen heeft dezelfde gaven en talenten.  God weet dit want Hij heeft dit zelf zo bepaald (Rom.12:4-5).  Om de Gemeente te leiden en te onderwijzen in Zijn Woord heeft Hij in die Gemeente mannen aangesteld en begiftigd met de gave om Gods Woord te onderzoeken en te verkondigen aan de plaatselijke gemeente.  Deze mannen gebruikt Hij om Zijn Gemeente tot een heilig priesterschap te vormen zodat Hij verheerlijkt kan worden door de geestelijke offers die hieruit voortvloeien.  Hij stelt deze leiders (‘voorgangers’, NBG) aan als voorbeeld om te volgen.  Doordat deze mannen begiftigd zijn met de bekwaamheid om Zijn Woord te bestuderen dragen ze ook de verantwoordelijkheid om hun wandel daarmee te laten overeenkomen.  Hierdoor zijn ze een voorbeeld voor de Gemeente en worden de broeders en zusters in de Gemeente vermaant om op hun te letten en hun voorbeeld te volgen.

De verantwoordelijkheid van deze leiders gaat zelfs verder dan enkel het onderwijzen en voorleven van Gods Woord, ze zijn zelfs aangesteld tot bewakers van de zielen van de gemeente.  Zij horen te waken over de heiligheid van de Gemeente door de broeders en zusters in de plaatselijke gemeente te vermanen en terecht te wijzen wanneer een ziel neigt af te dwalen, hun te bemoedigen tot volharding van hun geloof, hun te beschermen tegen dwaalleren en andere externe invloeden.  De ernst van deze taak wordt nog duidelijker wanneer we het principe dat we terugvinden in Hosea 4:9 er bij halen: “Zo priester zo volk.”  Waar de priesters vroeger instonden voor het geestelijk welzijn van het volk, staan nu de oudsten in voor dit welzijn.  Wanneer de oudsten hun taak verzuimen en afdwalen van de waarheid, zal de gemeente meegaan.  In plaatselijke gemeenten waar de oudsten zich niet actief bezig houden met hun verantwoordelijkheden, zullen broeders en zusters hun opdracht om een koninklijk priesterschap te vormen ook verzuimen en dus niet in staat zijn om geestelijke offers te brengen die de Heer behagen en niet opwassen in de rechte kennis van de Here waardoor hun leven alles behalve zal getuigen van Christus.  Daarom waarschuwt Paulus voor mensen die een afwijkende leer verkondigen en spoort hij de Gemeente aan om deze personen te mijden.  Waar eerst de Gemeente werd aangespoord om de oudsten te volgen, wordt ze hier opgedragen om personen die een afwijkende leer verkondigen te mijden.  Oudsten horen dus goed onderlegd te worden in de rechte kennis van Gods Woord!

Dubbel eerbetoon

  • 1Thes.5:12-13 “Wij verzoeken u, broeders, hen, die onder u zich moeite getroosten, die u leiden in de Here en u terechtwijzen, te erkennen, 13 en hen zeer hoog te schatten in liefde, om hun werk.
  • 1Tim.5:17-18 “De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht. 18 Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard.
  • 1Kor.9:7-11,14  “Wie doet ooit dienst in het leger en betaalt zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard zonder van de vrucht daarvan te eten? Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde? 8 Spreek ik hier soms van menselijk standpunt, of spreekt ook de wet niet van deze dingen? 9 Want in de wet van Mozes staat geschreven: Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen? 10 Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil? Ja, om onzentwil werd het geschreven, omdat de ploeger moet ploegen in hope, en wie dorst (moet dorsen) in de hoop zijn deel te ontvangen. 11 Indien wij het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u het stoffelijke zouden oogsten? 14 Zo heeft de Here ook voor de verkondigers van het evangelie de regel gesteld, dat zij van het evangelie leven.

Omdat de verantwoordelijkheid die oudsten dragen zo groot is en het belang van iedereen in de lokale gemeente aangaat, is het haast vanzelfsprekend dat oudsten die hun verantwoordelijkheid opnemen hoog geschat horen te worden “in liefde.”  Zij horen gezien te worden als schatbewaarders van het meest kostbare wat een mens kan bezitten, namelijk de ziel.  Daarom horen zij geliefd, gerespecteerd en in ontzag aanvaard te worden.

Ondanks dat zij eerder geestelijk werk verrichten gaat het eerbetoon dat de gemeente kan uiten naar hun verder dan louter geestelijke waardering.  De gemeente kan ook nadenken over een materiële vergoeding als dubbel eerbetoon voor de oudsten die hun verantwoordelijkheid opnemen.  Paulus haalt in zijn schrijven aan Timotheüs het principe aan dat “een dorsende os niet gemuilband mag worden” (1Tim.5:18).  De Israëlieten werden door God geboden om hun dorsende ossen niet te muilbanden terwijl ze het graan dorste (Deut.25:4).  Hierdoor kregen de dieren de kans om te eten van het graan terwijl ze aan het dorsen waren.  Dit stond in contrast met vele andere volkeren die hun dieren wel muilkorfden zodat ze niet konden eten van de opbrengst van hun werk.  In de verdediging van zijn apostelschap haalt Paulus hetzelfde principe aan en legt hierbij uit dat het principe een veel bredere toepassing heeft en ook slaat op de materiële vergoeding van de verkondigers van het Evangelie  (1Kor.9:9).  Een ander principe dat Paulus aanhaalt is dat “een arbeider zijn loon waard is.”  Ook dit principe komt al eerder in de Bijbel voor, namelijk in Lucas 10:7.  Ook in Lucas wordt dit principe gebruikt om te bevestigen dat de verkondigers van het Evangelie materieel vergoed horen te worden, in het vers specifiek door middel van onderdak, drank en voedsel.

Conclusie

De plaatselijke gemeente heeft een duidelijke plaats en opdracht binnen de universele Gemeente van Christus.  Om die taak goed uit te voeren hoort ze gevoed te worden met de rechte kennis van Gods wil, Zijn Woord.  Om dit te bewerkstelligen heeft God mannen aangesteld als oudsten om de gemeente hierin te leiden.  Deze verantwoordelijkheid is zwaar en vraagt om veel inspanning en energie.  Daarom verdienen oudsten die deze verantwoordelijkheid opnemen dubbel eerbetoon.  Dit eerbetoon kan geestelijk, door gebed, liefde, respect, ontzag en gehoorzaamheid, maar ook materieel door een financiële vergoeding.

Een financiële vergoeding maakt de oudsten minder afhankelijk van zijn eigen inkomen waardoor zij meer tijd aan de kant kunnen zetten voor studie in Gods Woord.  Dit leidt er toe dat zij in staat zijn om hun kennis van Gods Woord aan te scherpen en de gemeente beter kunnen onderwijzen in de rechte kennis van Zijn wil.

Een financiële ondersteuning draagt er ook toe bij dat de oudsten zich minder horen te bekommeren over de ‘seculiere’ (of tijdelijke) zaken en zich meer kunnen richten op Christus en Zijn werk.

Een financiële vergoeding draagt bij tot de toerusting, opbouw en bescherming van de gemeente.

Een financiële vergoeding  wordt bepaald door wat de gemeente kan dragen. Toch zien we in de Bijbel gemeenten die gaven boven hun kunnen. Dus bepaal niet alleen wat je kan geven en betalen maar ook wat je zou moeten betalen. Dit om ook te bepalen of hierin een balans is.

2 Kor. 8:3-4 “want (zij deden), dat getuig ik, wat zij konden, ja meer dan dat,  4 en zij vroegen, met alle aandrang, uit eigen beweging van ons de gunst, deel te mogen nemen aan het dienstbetoon voor de heiligen.”

  • Wat ze konden – ze gaven een deel van wat ze konden missen (Luc. 6:38; 1 Kor. 16:2)
  • Ja meer dan dat – ze gaven offerend, ze merkten het in hun financiën. (Matt. 6:25-34; Marc. 12:41-44; Fil. 4:19)
  • Uit eigen beweging – geven is vrijwillig en niet gedwongen (2 Kor. 9:6; Gen. 4:2–4; 8:20; Ex. 25:1, 2; 35:4, 5, 21, 22; 36:5–7; Num. 18:12; Deut. 16:10, 17; 1 Kron. 29:9; Spr. 3:9, 10; 11:24; Luc. 19:1–8)

Een of meerdere oudsten vrij zetten geeft hun beter de mogelijkheid om de gemeente te dienen, daar heeft iedereen baat bij.  Hierin is het wijs om zowel oog te hebben voor korte termijn kosten als lange termijn kosten (pensioen).

Een laatste principe om over na te denken:

“Zorg er voor dat oudsten die goede leiding geven niet zo hoeven te leven dat ze meer geloof nodig hebben dan u.”

Soli Deo Gloria