theparable

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker. (Mat.13:44)

De Principes

Er zijn zes principes die we uit deze parabel kunnen leren, principes die ons de waarde van Gods Koninkrijk meer doen begrijpen en een hart onder de riem van een Christen zijn die zijn reis op deze ‘vervloekte aarde’ verder zet.

Gods Koninkrijk is van onschatbare waarde

De parabel leert ons de onschatbare waarde van Gods Koninkrijk.  Iemand kan enkel door het verlossingsgeschenk van Christus in het Koninkrijk worden gebracht.  Wanneer iemand is gered zal hij door Christus God leren kennen.  Hij beseft hoe waardevol het is om in het Koninkrijk te mogen zijn en als onderdaan van de Soevereine  vriendschap met de Koning te hebben.  De gelukzaligheid van het Koninkrijk is zo kostbaar dat men een dwaas moet zijn om niet bereid te zijn om niet alles te verkopen om het te verwerven.  Niets komt in de buurt van haar waarde.  Christus en Zijn  Koninkrijk zijn een schat van onvergelijkbare waarde: het is onvergankelijk, onbezoedeld en eeuwig.  Die schat ligt in een akker van deze armzalige en vervloekte wereld en is genoegzaam om alle arme, ellendige, blinde en naakte inwoners van de aarde te verrijken.  Redding, vergeving, liefde, vreugde, vrede, deugdzaamheid, vriendelijkheid, heerlijkheid, hemel en eeuwig leven liggen allemaal in die schat.

De eeuwige waarde van verlossing overstijgt alles wat er maar op of in de aarde gevonden kan worden.  Hoe weinig weet de wereld welk een schat verlossing is!  Hoeveel houdt de wereld zich bezig met dingen die waardeloos zijn!

Gods Koninkrijk staat niet uitgestald in een etalage

De schat was verstopt en lag niet op de grond.  Op dezelfde manier is de waarde van verlossing niet zichtbaar voor alle mensen.  De wereld kijkt naar Christenen en begrijpt niet waarom zij God aanbidden.  Ze begrijpen niet waarom iemand zijn leven wilt geven aan Christus en een levensstijl wilt aannemen die tegen de natuurlijke lusten van de mens gaat.  Ze begrijpen niet waarom Christenen dit zo hoog waarderen.  1Kor.2:14 zegt: “Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.” 2Kor.4:4 zegt: “ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.”  Het Koninkrijk en het Woord zijn voor hun niet zo duidelijk.

Het Koninkrijk is waardevol, maar verborgen voor de mensen die niet ijverig op zoek gaan naar de verborgen waarheid in het Woord van God.  De Heer zei in Luc.13:24 dat men moest strijden “om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.”  Op een bepaalde manier is de boodschap van verlossing verborgen.  De wereld kan het uit zichzelf niet zien.

Jezus zei in Joh.5:40 dat sommige mensen niet tot Hem willen komen om eeuwig leven te hebben.  Hij zei hun “onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen” (Joh.5:39).  Johannes zei van Jezus: “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Joh;1:10-11).  Zij die enkel een oppervlakkige kijk op het leven hebben en niet eens denken aan de diepere zin ervan zullen de waarheid niet vinden.  De waarheid wordt niet vluchtig gevonden.  Er moet een verlangen zijn om er naar op zoek te gaan.  De man die de schat in de akker had gevonden moest bereid zijn om achter het eigenaarschap van hetgeen hij vond aan te gaan.

Gods Koninkrijk is van persoonlijk nut

De man in de parabel had iets gevonden dat van persoonlijk nut was voor hem, iets dat hij kon gebruiken en zich graag wou toe-eigenen.  Dat laat ons zien dat je onder de heerschappij van God kunt leven en toch niet tot Zijn Koninkrijk behoren.  Iedereen in het heelal is onder Gods heerschappij omdat Hij soeverein is in het universum.  Alle mensen op aarde zijn, op een bepaalde manier, in het Koninkrijk; maar velen op aarde zijn geen onderdanen van de Koning.  Evenzo zijn er veel mensen in de kerk die geen Christen zijn.

Alhoewel de wereld onder de heerschappij van Jezus Christus valt, zijn niet alle mensen deel van Zijn Koninkrijk.  Daarom zei Jezus in Mat.8:12 tegen het Joodse volk: “maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.”  Anders gezegd zijn er Joden die, ondanks ze onder Gods verbond met Israël leven, God nooit persoonlijk zullen kennen. Paulus zei in Rom.2 dat de besnijdenis niet van het vlees was, maar van het hart (vv.25-29).  In Rom.9:6 zegt Paulus: “Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël.”  Iemand kan Joods zijn en onder de heerschappij van God leven, maar toch niet tot het Koninkrijk behoren.

Dit geldt nog steeds voor de mensen van vandaag.  Er zijn mensen die in het Koninkrijk op aarde leven, maar nooit het persoonlijk nut van het Koninkrijk hebben ingezien waardoor ze het zich zouden willen toe-eigenen.  De parabel richt zich op het inzien van het nut en het zich toe-eigenen van het Koninkrijk.  Vooraleer iemand het persoonlijk nut van het Koninkrijk kan inzien en het zich wil toe-eigenen, moet hij op een punt komen dat hij de waarde van dat Koninkrijk beseft.  God heeft iets van onschatbare waarde aangeboden aan de mensen, toch is het ongelooflijk hoe extreem mensen op zoek gaan naar waardeloze zaken.

Gods Koninkrijk is dé bron van vreugde

In vers 44 zien we de man vreugde vond bij het vinden van de schat.  Met vreugde verkocht hij alles wat had om de akker met de schat te kunnen kopen.  Gelukkig zijn is een van de primaire verlangens van iedere mens.  De hele wereld zoekt naar blijdschap.  Mensen willen zich goed voelen.  De heer weet dat.  Hij zei tegen Zijn discipelen in Joh.15:11: “Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde.”  In 1Joh.1:4 zei Johannes: “…deze dingen schrijven wij, opdat onze blijdschap volkomen zij.”  Onze Heer zei in Joh.16:24: “Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in mijn naam; bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.”  Paulus zei in Rom.14:17:”Want het Koninkrijk Gods bestaat … in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest.”  Mensen willen blijdschap ervaren.  Je kunt ware blijdschap vinden door het Koninkrijk en Christus te ontdekken.

Het Koninkrijk is waardevol en verborgen.  Iemand die het nut van het Koninkrijk inziet en het zich toe-eigent zal de bron van ware vreugde vinden.  De man die de schat vond verkocht alles wat Hij had om de schat die hem vreugde gaf te kunnen kopen.  Dit is niet verkeerd; God wilt dat wij ons verblijden.  De Bijbel zegt: “Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!”  Christenen zouden zich meer dan andere mensen moeten verblijden, want zijn hebben de schat gevonden.

Gods Koninkrijk wordt door sommigen ‘toevallig’ ontdekt

De man in het veld was niet op zoek naar een schat.  Hij was op de akker aan het werken, waarschijnlijk aan het ploegen of bouwen.  Door te werken wou hij zichzelf van voeding voorzien om te leven.  In deze dagelijkse routine botst hij op een bepaald moment tegen een schat.

Er zijn mensen die op zulk een manier het Koninkrijk ingaan.  De apostel Paulus was niet op zoek naar Gods Koninkrijk — hij dacht dat Hij er al in leefde.  Hij was op weg naar Damascus om de Christenen te doden toen God plots tot Hem sprak vanuit de hemel en hem bekeerde (Hand.9:1-6).  De dorstige Samaritaanse vrouw die naar de put ging om water te halen ging verlost terug naar huis (Joh.4:7-29,42).  De man die van geboorte aan blind was werd niet enkel genezen, maar ook verlost (Joh.9:1-38).  Er zijn sommigen die naar de kerk komen om de predikant te bespotten, maar ineens bekeerd worden.  Er zijn mensen die niet op zoek zijn naar de schat maar er toch tegen aan botsen op een of andere manier.

(Wordt vervolgd…)