theparable

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker. (Mat.13:44)

De Parabel

Het begraven van de waardevolle dingen was een gebruikelijk iets in de tijd van de Bijbel.  Vandaag de dag zetten we ons geld op een spaar- of zichtrekening, aandelen, kasbons, enz. Maar in de tijd van de Bijbel waren er geen banken voor het gewone volk (enkel de welgestelden hadden toegang tot de bank, maar ook waren de banken niet de meest veilige plaatsen om de waardevolle dingen in op te bergen).  Het was gebruikelijk dat mensen hun waardevolle dingen in de grond begroeven.  Zeker en vast in Palestina omdat het een oorlogsgebied was.  Haar geschiedenis is gevuld met gevechten.  Om te voorkomen dat de veroveraars hun waardevolle spullen zouden houden, begroeven ze deze spullen ergens in een akker of op een gemarkeerde plaats met de bedoeling deze later weer op te graven.  De aarde was een ware opslagplaats.

Volgens de parabel was er een man die op een akker een schat had gevonden.  De parabel beschrijft niet waarom hij op die akker was, mogelijk had hij de opdracht gekregen van de eigenaar om de akker te bewerken.  Hij vond waarschijnlijk de schat terwijl hij aan het ploegen was.  Toen hij de schat vond, begroef hij hem opnieuw en verkocht alles wat hij bezat zodat hij de akker kon kopen en zo de schat op een rechtvaardige wijze kon bemachtigen.

De man koos er niet voor om de schat te stelen of een deel van de schat te gebruiken om de akker te kopen.  Het was een eerlijke man die de schat begeerde en deze op een rechtvaardige manier in bezit wou nemen.  De Joodse wet zei dat als een werkman een schat vond in een akker en deze naar boven haalde, deze schat zijn meester toebehoorde (D.A.Carson, Expositor’s Commentary, vol.8, p.328) en wanneer iemand verloren geld vond, dat deze vondst aan de vinder toebehoorde (William Barclay, The Gospel of Matthew, vol. 2 [Philadelphia: The Westminster Press, 1958], pp. 94-95).  Blijkbaar had de huidige eigenaar van de akker geen weet van de verborgen schat en behoorde ze toe aan een vorige eigenaar van die akker die mogelijk gestorven was tijdens een gevecht of verovering en daardoor de schat niet meer had kunnen opgraven.  De schat was dus niet het rechtstreeks bezit van de eigenaar en dus had de vinder van de schat het eerste recht op de schat volgens de Joodse wet.  De man kiest er voor om de schat verborgen te laten in de akker en eerst al zijn bezit te verkopen en met dat geld de akker te kopen omdat hij wist dat dit de meest rechtvaardige manier was.  Hij fraudeerde niemand  en deed niets dat etisch niet verantwoord was.  Hij wilde de schat op een rechtvaardige manier beërven.

De essentie van de parabel is het volgende: een man vond iets dat zo waardevol was dat hij alles verkocht om het te verkrijgen.  Hij was zo ontzettend gelukkig door het vinden van deze schat dat hij bereid was om eender wat te doen om ze te verkrijgen.

(Wordt vervolgd…)

ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.