Jonathan Edwards , 5 oktober 1703 – Princeton (New Jersey), was een Amerikaanse opwekkingsprediker, theoloog, en zendeling bij de Indianen. Hij heeft een brede invloed gehad, maar wordt vaak geassocieerd met zijn opkomen voor de calvijnse theologie en zijn puriteinse nalaatschap.  In 1718 maakte Edwards een geestelijke crisis door, waarin hij moeite had met het persoonlijk gebed. In dit jaar werd hij overvallen door een longontsteking, die hem dicht bij de dood bracht. Naar eigen zeggen was het zo, dat God “shook me over the pit of hell. And yet it was no long after my recovery before I fell again into my old ways of sin”. Ook het volgende jaar was een jaar van sterke worstelingen, waarin hij het vooral met zijn trots te stellen had. Zijn intellectuele prestaties waren hoog en dat gaf hem als piepjonge student een bepaalde erepositie in het College-leven. In 1721 werd hij diep getroffen door het lezen van 1 Tim. 1,17: “De Koning der eeuwen, de onvergankelijke, de onzienlijke, de enige God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.”. Na een gesprek met zijn vader hierover werd hij op een wandeling alleen overvallen door een besef van de glorieuze majesteit en genade van God. Vanaf dat moment werd zijn gevoel voor goddelijke dingen steeds sterker. Hij ontdekte Gods uitnemendheid, wijsheid en zuiverheid in alle dingen van de natuur. “And scarce any thing, among all the works of nature, was so sweet to me as thunder and lightning; formerly nothing had been so terrible to me…”. Ook had hij er een diep verdriet van, dat hij niet eerder zo naar God verlangd had. Hij heeft altijd Gods heiligheid als zijn voortreffelijkste eigenschap beschouwd. Vlak na zijn bekering in 1721 stelt hij in de loop van een aantal maanden zo’n zeventig resoluties op, vaste voornemens om naar te leven.

Me er van bewust zijnde dat ik niet in staat ben iets te doen zonder Gods hulp, smeek ik Hem nederig om me bekwaam te maken om me aan deze resoluties te houden door Zijn genade, voor zover ze overeen komen met Zijn wil, in naam van Christus.

1. Ik ben vastbesloten dat te doen wat volgens mij het meeste eer en glorie aan God geeft, en het beste is voor mijn eigen welzijn, nut en vreugde, zolang dat ik leef, zonder af te wegen of ik al dan niet een kort of lang leven zal hebben.  Ik ben vastbesloten dat te doen wat ik bezie als mijn plicht en tot het meest goede welzijn van de gehele mensheid. Ik ben vastbesloten dit te doen, hoeveel en hoe groot de moeilijkheden ook zullen zijn die ik zal tegenkomen.

2. Ik ben vastbesloten mijn best te doen om steeds meer manieren van vernieuwing en vernuft te vinden om de bovengenoemde dingen te bevorderen.

3. Ik ben vastbesloten, wanneer ik zal dwalen of verveeld worden in het houden van welke van mijn beloften ook, berouw en inkeer te tonen van de dingen die ik me kan herinneren, als ik weer terug op het rechte pad ben gekomen.

4. Ik ben vastbesloten om nooit nog iets meer of minder te doen, in ziel of lichaam, dan datgene dat neigt naar de Glorie van God; noch het te zijn, noch het te lijden, als ik het kan vermijden.

5. Ik ben vastbesloten geen enkele seconde meer te verspillen, maar op de meest rendabele manier te gebruiken die ik kan.

6. Ik ben vastbesloten om te leven uit al mijn macht, zo lang ik leef.

7. Ik ben vastbesloten om niets te doen waar ik bang van zou hebben om het te doen in het laatste uur van mijn leven.

8. Ik ben vastbesloten om in alle opzichten zo te handelen, in woorden en daden, alsof er niemand zo onwaardig geweest is als ik. Alsof ik dezelfde zonden gedaan had, of zwakheden en gebreken heb als anderen. Ik zal mijn kennis van hun tekortkomingen dan ook enkel gebruiken om me des te meer te schamen en voor God mijn eigen zonden en ellende te belijden.

9. Ik ben vastbesloten om zoveel mogelijk aan mijn eigen sterven te denken, en aan de omstandigheden die met het sterven te maken hebben.

10. Ik ben vastberaden telkens als ik pijn voel te denken aan de pijn van het martelaarschap en de hel.

11. Ik ben vastbesloten dat wanneer ik met een theologische vraag zit,  ik onmiddellijk zal doen wat ik kan om deze op te lossen, indien er geen belemmerende omstandigheden zijn.

12. Ik ben vastberaden dat als ik ergens vreugde in vind door  bevrediging van trots, ijdelheid, etc…; er onmiddellijk de brui aan te geven.

13. Ik ben vastbesloten er naar te streven om goede manieren van vrijgevigheid en liefdadigheid te vinden.

14. Ik ben vast besloten nooit iets te doen uit wraak.

15. Ik ben vastbesloten nooit enige vorm van woede te tonen naar irrationele schepsels.

16. Ik ben vastberaden nooit kwaad te spreken over iemand zodat het hem oneer aanbrengt; om geen enkele reden tenzij een heel goede.

17. Ik ben vastbesloten om te leven zoals ik op mijn sterfbed zou wensen dat ik gedaan had.

18. Ik ben vastbesloten te allen tijde te leven binnen mijn gewetensgrenzen, en zoals wanneer ik het helderste begrip heb van van het evangelie en de andere wereld.

19. Ik ben vastbesloten nooit iets te doen, waarvan ik bang zou  hebben om het te doen, als het minder dan een uur te gaan was voor het luiden van de laatste bazuin.

(wordt vervolgd…)