“En de buurvrouwen gaven hem een naam. Zij zeiden: Bij Naomi is een zoon geboren. En zij gaven hem de naam Obed. Hij is de vader van Isaï, de vader van David.” (Ruth 4:17)

Niemand kan met zekerheid zeggen wie de auteur van het fascinerende boek Ruth was.  Het moet alleszins geschreven zijn geweest door een tijdgenoot van David die de stamboom van Ruth kon herleiden tot aan haar achterkleinkind David.  Het is best mogelijk dat David deze geschiedenis ooit zelf had vernomen van zijn eigen overgrootmoeder.

Toen David later koning werd, moet hij in ieder geval onder de indruk zijn geweest van het verloop van de omstandigheden die leidden naar zijn zalving.  Hij had waarschijnlijk Genesis 49:8-12 gelezen waarin Jakob had gezegd dat op een dag iemand uit de stam van Juda de heerser zou zijn over de kinderen van Israël.   Hij moet zich ook hebben verwonderd over de wonderlijke genade van God die Ruth, een Moabitische, toevoegde bij zijn voorouders.  En dat ondanks het verbod beschreven in Deuteronomium 23:3 dat aangaf dat Moabieten niet in de gemeente van de Heer mochten komen.  Ongetwijfeld moet hij ook hebben opgemerkt dat Nahesson, die de grootvader was van Boaz, Ruths echtgenoot, het hoofd van de stam Juda was toen Mozes de Israëlieten uit Egypte leidde (Nummeri 1:4-5, 7).  Maar dat deze Nahesson blijkbaar in zijn rol had gefaald en omkwam in de woestijn.  Uit zijn stam mocht enkel Kaleb het beloofde land ingaan (Numeri 14:22-24).  Toch werd Nahesson en niet Kaleb de voorouder van David.

David werd, net als Ruth, Nahesson en ieder van ons, niet door eigen toedoen toegevoegd aan de grote familie van de Koning, maar door Zijn wonderlijke genade!  We zijn “niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man” wedergeboren, maar “uit God” (Johannes 1:13).  “Niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben,  maar vanwege Zijn barmhartigheid” zijn gered (Titus 3:5).

Een prachtige geschiedenis van Gods volk Israël die aan ons werd gegeven.  Ze leert ons enerzijds dat wij nergens recht op hebben en leven in genade.  Maar anderzijds ook dat net die genade ons moet bemoedigen om te blijven volharden in geloof omdat Gods plan stand houdt, doorheen de omstandigheden en ons falen!

Soli Deo Gloria