‘Wel Onkunde!’zeiden zij, ‘wil je zo dwaas zijn en een goede raad je wel tienmaal gegeven, zo in de wind slaan? Weldra zul je weten wat voor kwaad je zodoende begaat; bedenk je nog terwijl het nog tijd is; ga niet verder, laat je door goede raad behouden. Maar wil je voortgaan in het verwerpen, je zult zelf het verlies dragen.’ Christen en Hoop lieten Onkunde achter.

Al pratend kwamen ze in het land Getrouwde. Hier waren ze in het gezicht van de stad waar ze heen reisden en ontmoetten enigen van haar bewoners (engelen). Hier werd het contact tussen de Bruidegom en de bruid vernieuwd. Ja hier verheugde God zich over hen. Bij het voortgaan ontmoetten ze twee mannen in een gewaad dat blonk als goud en met gezichten die blonken als licht. De mannen informeerden naar hun ervaringen onderweg en nodigden hen uit mee te gaan naar de stad. Ze wandelden samen tot ze in de buurt van de stadspoort kwamen. Tussen hen en de poort was een diepe rivier. Deze moesten ze oversteken. Er was geen brug. Bij het oversteken dreigde Christen te verdrinken. Hoop probeerde het hoofd van Christen boven het water te houden en hem te troosten. Hij zei: ‘Deze angsten zijn geen tekenen dat God je verlaat, maar worden je alleen toegezonden om je te beproeven,of je nu ook gedenkt aan wat je eerder en tot dusver van zijn goedheid genoot en ook op Hem vertrouwt in je benauwdheden.’

Na enige tijd zag Christen Jezus Christus. Op datzelfde moment voelde hij grond om op te staan. Ze liepen nu naar de overkant. Hun sterfelijk gewaad lieten ze in de rivier achter. Twee mannen in blinkende kleren verwelkomden hen en vertelden hen wat hen in de stad te wachten stond. Toen ze de poort naderden, kwamen mannen ‘die onze Here liefhadden toen zij in de wereld waren en alles om Zijn heilige Naam verlieten’ hen ophalen. Ook verscheidene trompetters van de koning kwamen hen tegemoet en ontvingen hen met gejuich en bazuingeschal. Omringd door hen kwamen ze bij de poort. Boven de poort was in gouden letters geschreven: ‘Gelukkig zijn zij die Zijn geboden doen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan’. Christen en Hoop gingen de poort door. Met dat ze dat deden werden ze geheel veranderd. Ze kregen een gewaad dat blonk als goud, een kroon tot teken van eer en een harp om mee te loven.

De stad blonk als de zon, de straten waren van goud en daarop wandelden er velen met kronen op hun hoofden, palmtakken in de handen en gouden harpen. Onkunde arriveerde ook aan de rivier. Hij werd overgezet door veerman IJdele Hoop. Alleen stond hij nu voor de poort. Niemand moedigde hem aan. Hij klopte op de poort. Tegen de poortwachters zei hij dat hij in tegenwoordigheid van de Koning gegeten had. Ze vroegen hem naar het bewijs ervan. Hij kon het niet tonen. De Koning werd gemeld dat Onkunde voor de poort stond. Maar deze wilde hem niet ontvangen, integendeel, hij beval Onkunde de handen en de voeten te binden. De twee Blinkenden die Christen en Hoop tot de stad hadden geleid, droegen Onkunde ‘door de lucht tot aan de deur die terzijde van de heuvel was en wierpen hem daar in.’ Bunyan besloot zijn verhaal met de woorden: ‘En zo zag ik, dat er een weg naar de hel was zowel van de hemelpoort af, als vanaf de stad Verderf. Toen werd ik wakker, en zie, het was een droom.’

Bunyan schreef in de tijd van de opkomst van het kapitalisme. Met Christenreis naar de eeuwigheid wilde hij protest aantekenen tegen een cultuur van genot en plezier. Hij deed dat met middelen die hij aan die cultuur ontleende. De individuele christen die uitsluitend op zijn heil uit is, reist naar de toekomende wereld. Beladen met zijn zondelast gaat hij in zijn eentje de smalle weg van wereldmijding die naar de hemelse zaligheid voert. Bij het kruis van Golgotha kan hij zijn last afwerpen. De manier waarop Bunyan de reis beschreef, lijkt op de manier waarop het opkomende kapitalisme zichzelf rechtvaardigde: ‘je gaat helemaal alleen, je eigen zaligheid is het hoogste goed en de weg waarlangs is een weg van voortreffelijke individuele prestaties.’ Bunyan beschreef de weg naar Gods koninkrijk als een soort hordeloop naar de eeuwigheid, waarbij andere mensen als een last van je moeten worden afgeschud. Christen was getrouwd en had kinderen, maar die moest hij in de steek laten om de eeuwige zaligheid te kunnen beërven. Toen hij van huis wegrende, riepen zijn vrouw en kinderen hem na om terug te komen, maar hij stopte zijn vingers in de oren en schreeuwde: ‘Leven, leven, eeuwig leven!’

Boodschap van Bunyan is: alleen wie de strijd om het smalle pad aandurft en de gemakken van de brede weg versmaadt, ziet de poort van het hemels Jeruzalem (Sion) opengaan. Door God uitverkoren zijn betekent strijd in de wereld en alles op willen geven, zelfs je vrouw, kinderen en vrienden. Het betekent ook: Christus is voor je, maar in de hemel. Materiële zaken zijn tijdelijke zaken. Voor de eeuwige God telt niet of je rijk of arm was. Een mens is niet wat hij heeft. Hij is wat hij met zijn bezit doet. Uitverkiezing is niet uiterlijk meetbaar. Geloof is een zaak van het innerlijk. De innerlijkheid brengt een ascetische uiterlijkheid met zich mee. Bunyan tekende de weg van Christen als een weg van vreemdelingschap. Met de notie vreemdelingschap greep hij terug op een oersymbool van christelijk leven. In de Bijbel werd al benadrukt dat de mens in de wereld is, maar haar niet toebehoort. Kerkvader Aurelius Augustinus (354-430) en allen die hem navolgden, tekenden het christelijk leven als een pelgrimage, een leven onderweg. Deze wereld is – zo benadrukten ze – weliswaar de enige, maar ze is niet de ware. De mens is op weg naar de ware wereld en moet zich daarom niet hechten aan de natuurlijke verbanden van familie, clan of volk. Vreemdelingschap impliceerde voor hen verzet tegen de zonde, onthechting van aardse goederen en positieve gerichtheid op het dienen van God en het liefhebben van de naaste.

De Franse reformator Johannes Calvijn (1509-1564) stelde de idee van vreemdelingschap centraal in zijn overdenking van het toekomende leven: ‘En door welk soort van verdrukking wij ook gedrukt worden, altijd moeten wij zien op dit doel, dat wij ons gewennen tot de verachting van het tegenwoordige leven en daardoor opgewekt worden tot de overdenking van het toekomende. (…) De gehele ziel zoekt, daar ze verstrikt is in de verlokkingen des vleses, haar geluk op de aarde. Om dit kwaad tegen te gaan, onderwijst de Here door voortdurende bewijzen der ellende de zijnen aangaande de ijdelheid van dit leven.’ ‘Er is geen middenweg: òf de aarde moet ons waardeloos worden, òf zij moet ons in ongebreidelde liefde tot zich vasthouden. Daarom, indien wij enige zorg voor de eeuwigheid hebben, moeten wij ons naarstig hierop toeleggen, dat wij ons uit die slechte boeien losmaken. Verder, daar het tegenwoordige leven zeer veel bekoorlijkheden heeft, waardoor het ons verlokt, veel schijn van liefelijkheid, aangenaamheid en aantrekkelijkheid, waardoor het ons streelt, is het voor ons van groot belang, dat wij herhaaldelijk daarvan worden weggeroepen, opdat wij niet door zulke lokmiddelen worden betoverd.’ ‘… de gelovigen moeten zich gewennen aan zulk een verachting van dit leven, dat die geen haat tegen dat leven wekt en geen  ondankbaarheid jegens God. Immers dit leven, ook al is het vervuld van talloze ellenden, wordt toch terecht gerekend tot de niet te versmaden zegeningen Gods.’ ‘Hierop moeten dus de gelovigen bij het waarderen van het sterfelijk leven het oog gevestigd houden, dat ze, daar ze begrijpen, dat het in zichzelf niets dan ellende is, des te vuriger en gereder zich geheel wijden aan de overdenking van het toekomende eeuwige leven. Wanneer men er toe gekomen is te vergelijken, dan kan het tegenwoordige leven niet alleen gerust veronachtzaamd worden, maar moet het ook, in vergelijking met het toekomende, geheel en al veracht en versmaad worden. Want indien de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord der ballingschap? Indien het verhuizen uit de wereld is de ingang tot het leven, wat is de wereld dan anders dan een graf? En wat is in de wereld blijven dan anders dan verzonken liggen in de dood? Indien bevrijd te worden van het lichaam betekent gebracht te worden in volkomen vrijheid, wat is het lichaam dan anders dan een kerker? Indien Gods tegenwoordigheid te genieten het hoogste geluk is, is het dan niet ellendig haar te missen?’ ‘(…) indien wij bedenken, dat deze onstandvastige, gebrekkige, verderfelijke, bouwvallige, verwelkelijke en wegkwijnende tabernakel van ons lichaam daarom ontbonden wordt, opdat hij weldra tot een vaste, volmaakte, onverderfelijke, kortom hemelse heerlijkheid zou vernieuwd worden, zal dan het geloof ons niet dwingen vurig te verlangen datgene, waarvoor onze natuur terugdeinst? Indien wij bedenken, dat wij door de dood uit de ballingschap teruggeroepen worden om ons vaderland, en dat wel ons hemels vaderland te bewonen, zullen wij daaruit geen troost verkrijgen?’

Anders dan bij Calvijn was bij Bunyan de pelgrimsreis naar de eeuwigheid allereerst een weg van bekering. Deze weg had een begin in de angst van de mens die zijn schuld tegenover God leert kennen. Daarop volgde de bevrijdende ontmoeting bij het kruis van Christus. Maar de strijd was nog niet gestreden. Op de vlucht naar het kruis volgde de verlichting met de kennis en de strijd om de heiliging als strijd met de duivel, de wereld en het eigen vlees (de lusten en begeerten).

Bunyan werd voor piëtisten in het gereformeerde protestantisme een autoriteit, een ‘wegspecialist’. Miljoenen legden, zeer tegen zijn bedoeling in, de ervaring op hun eigen weg langs de meetlat van zijn verhaal. Ze stierven met de ogen gericht op de hemelse stad, terwijl ze in grote benauwdheid de doodsrivier overstaken. Tijdens hun leven was vreemdelingschap kenmerkend voor hun houding in het publieke domein: ze waren wel in de wereld – en daarom was meedoen hun lot – ze waren echter geen burgers van deze ‘tegenwoordige boze wereld’. Ze waren ‘vreemdelingen en bijwoners’, pelgrims op reis naar een beter vaderland.

© Leen den Besten, Zevenaar 25 april 2009.