Toen Christen verder liep over de smalle weg, zag hij twee mannen over de muur klimmen. Het waren Hypocriet en Formalist. Ze kwamen Christen bij Dwaas, Luiaard en Verwaand, uit het land IJdele Eer en gingen naar de berg Sion om te bidden. Christen vroeg hen: ‘Waarom kwamen jullie niet door de poort die aan het begin van deze weg is gebouwd? Weten jullie niet dat er geschreven staat dat wie niet door de deur ingaat, maar van elders inklimt, een dief en een moordenaar is?’ De mannen antwoordden dat de weg door de poort veel te ver om was en liepen met Christen mee op. Deze wees hen op zijn kleding, het teken op zijn voorhoofd en de boekrol die hij bezat, de kenmerken waaraan de Heer op de berg Sion hem zou herkennen. Ze lachten Christen uit. Met z’n drieën gingen ze voort. Alleen Christenzorgde dat hij de voorste bleef en met niemand meer sprak dan met zichzelf, en dat soms eens zuchtend en dan weer juichend. Hij las ook vaak in de rol die hem door één van de Blinkenden (engelen) gegeven was en werd dan zeer verkwikt. Ze kwamen aan de voet van de heuvel Moeilijkheid waar een fontein was. Hier lagen, naast de rechte weg die de hoge, steile heuvel opging twee andere wegen, Gevaar en Vernieling, aan de voet van de heuvel. Christen beklom de steile weg. Hypocriet en Formalist namen de wegen rond de heuvel omdat ze zich inbeeldden dat ze aan de andere kant van de heuvel op dezelfde weg zouden uitkomen als Christen. De wegen leidden hen naar de ondergang. Halverwege trof Christen een prieel waar vermoeide reizigers konden uitrusten. Hij begon er in zijn rol te lezen, werd door slaap overmand en de rol viel uit zijn hand. Iemand wekte hem en riep hem toe: ‘Ga tot de mieren, gij luiaard, en word wijs’. Toen Christen opstond, zag hij dat twee mannen naar hem toe kwamen: Vreesachtige en Mistroostige. Ze waarschuwden hem voor de gevaren onderweg. Christen antwoordde: ‘Waar zal ik heen vluchten. Als ik terugga kom ik zeker om, als ik in de hemelse stad kan komen, weet ik zeker dat ik veilig zal zijn. Ik moet het wagen.’ En hij ging verder, piekerend over wat de twee gezegd hadden. Hij zocht naar zijn rol om daarin te lezen, maar vond hem niet. Soms zuchtte hij, soms huilde hij en vaak verfoeide hij zichzelf om de dwaasheid, dat hij was gaan slapen op een plaats die alleen bestemd was om hem te verfrissen in zijn vermoeidheid. Hij ging vol zelfverwijt terug en vond bij het prieel zijn rol terug. Snel liep hij nu het overige van de heuvel weer op. Het werd donker. Zichzelf verwijtend zei hij: ‘Had ik niet geslapen, dan had ik nu een dak boven mijn hoofd. Ik moet nu wandelen zonder zonneschijn, de duisternis bedekt mijn voetpad en ik moet het geluid van de nare schepselen horen vanwege mijn zondige slaap.’

Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij een statig paleis, Sierlijk geheten, juist aan de kant van de goede weg. Bij het naderen van het paleis ontdekte hij twee leeuwen. Ze waren geketend, maar dat zag hij niet. De portier, Waakzaam, merkte dat Christen wilde teruggaan en riep hem toe: ‘Is je kracht zo klein?Wees niet bang. De leeuwen zijn geketend. Ze liggen hier alleen om je geloof te beproeven.’ De portier belde aan. Een jonge vrouw, Bescheidenheid, deed open, nodigde hem uit binnen te komen en bracht hem in aanraking met Voorzichtigheid, Godsvrucht en Liefde. Deze vroegen hem waar hij vandaan kwam en waarom hij zijn reis had ondernomen. Vervolgens nodigden ze hem uit mee te eten. Aan tafel spraken ze over de Heer van de heuvel, over alles wat hij gedaan had en waarom hij dit paleis gebouwd had. Tot laat in de nacht waren ze in gesprek met elkaar. Nadat ze zich aan de hoede van de Heer hadden bevolen, begaven ze zich te ruste. De volgende morgen brachten ze Christen in hun studeerkamer en lazen hem enige gedenkwaardige daden voor die sommige van zijn dienaren hadden gedaan: hoe ze koninkrijken hadden overwonnen, gerechtigheid geoefend, leeuwenmuilen toegestopt, uit zwakheid krachten hadden gekregen en in de strijd sterk waren geworden. Ook lazen ze stukken voor waaruit bleek hoe gewillig hun Heer was om ieder in zijn gunst te ontvangen. De daarop volgende dag brachten ze Christen in hun magazijn, waar ze hem allerlei oorlogswapenen lieten zien, die de Heer voor zijn reizigers gereed hield: een zwaard, een schild, een helm, borstwapenen, schoenen die niet verouderen en gedurig gebed. Ze wezen hem dingen aan waarmee sommigen van zijn knechten wonderlijke dingen hadden verricht. Op de derde dag lieten ze Christen de Liefelijke Bergen zien, waar sierlijke bossen, wijngaarden en vruchten van allerlei soort, met bloemen, beken en fonteinen. De bergen werden Immanuels Land genoemd. Wie daar kwam, zag de poort van de hemelse stad. Christen besloot verder te reizen. Voor hij vertrok werd hij van het hoofd tot de voeten geharnast met wapens die alle waren beproefd, voor het geval hem een aanval op de weg te wachten stond. Bescheidenheid, Liefde, Godsvrucht en Voorzichtigheid vergezelden hem tot in het dal, want een afdaling is zeker zo moeilijk als het beklimmen van een berg. De weg was glad en Christen gleed een paar keer uit. Christen kwam nu in de vallei Verootmoediging. Hier kwam hij Apollyon tegen, een monster zeer gevaarlijk om te zien en bekleed met schubben zoals een vis; hij had vleugels als een draak en voeten als een beer. Uit zijn buik kwamen vuur en rook en zijn mond was als de muil van een leeuw. Hij probeerde Christen ervan te overtuigen dat hij de verkeerde weg was ingeslagen om van zijn pak verlost te worden. Hij had moeten wachten tot de vorst zelf het van hem had afgenomen. Christen antwoordde: ‘De vorst die ik eer en dien, is genadig en vaardig om te vergeven. Maar wat meer is, deze gebreken hadden mij in hun bezit, toen ik in uw land woonde; daar heb ik ze ingezogen; ik heb er ook onder gezucht, en ben er bedroefd over geweest en heb vergiffenis gekregen van mijn vorst.’ Apollyon brak hierop in verwoede woorden uit: ‘Ik ben een vijand van jouw vorst. Ik haat zijn persoon, zijn wetten, zijn volk’. Ook probeerde hij Christen de weg te versperren en schoot vurige pijlen op hem af. Christen wist ze met zijn schild af te weren. Wel raakte hij gewond. Na een zwaar en lang gevecht wist hij eindelijk Apollyon met zijn zwaard zodanig te verwonden, dat deze vluchtte. Christen dankte God dat deze engel Michaël had gestuurd om hem te redden van de duivel (Beëlzebub) en trok verder.

Zijn weg ging nu door het dal van de Schaduw van de Dood. Christen ontmoette twee mannen. Ze vertelden wat ze ook door dit dal wilden trekken, maar nu, geschrokken door wat ze gezien hadden, terug wilden. Ze zeiden: ‘De vallei was donker als pek, er waren veldduivels endraken van de afgrond; we hoorden er voortdurend huilen en kermen.’ ‘Dit is de weg die ik moet gaan om tot de begeerde haven te komen’, antwoordde Christen en ging verder langs een gevaarlijke slijkpoel en over een buitengewoon smal pad. In het midden van de vallei, niet ver van de weg af, zag hij de mond van de hel. Voortgaande naderde hij vrij dicht het vuur. Hij hoorde treurende stemmen en zag dat een troep boze geesten op hem afkwam. Een van de duivelen fluisterde hem droevige belasteringen in het oor. Hij wist niet wat ervan te denken. Ineens meende hij een stem te horen van een man die zei: ‘Al ging ik in het dal van de schaduw van de dood, ik vrees niet, want Gij zijt bij mij’. Hij begreep hieruit dat meer mensen deze weg gingen. Ook begreep hij dat God bij hem was. Toen het lichter werd, zag hij welke weg hij gegaan was: aan de ene kant een ravijn en aan de andere kant een moeras. Aan het eind van het dal zag hij bloed, beenderen en as afkomstig van de pelgrims die tevoren deze weg waren gegaan en op zeer wrede wijze ter dood waren gebracht door twee reuzen: Paus en Heiden. Heiden was inmiddels dood en Paus was oud en zo ziekelijk en stijf dat hij weinig meer kon uitrichten. Christen kwam op een hoogte aan van waaruit hij vooruit kon zien. Hij zag Getrouwe. Samen al verder trekkend wisselden ze uitvoerig hun ervaringen uit en bemoedigden elkaar. Ze ontmoetten Mondchristen en spraken diepgaand met hem. Nadat afscheid genomen hadden van Mondchristen, stond het voor Getrouwe vast dat Mondchristen verloren zou gaan. Christen was gesterkt in zijn opvatting dat het geloof van mondchristenen alleen bestaat uit woorden: in hun omgang zijn ze zo verdraaid en ijdel dat ze – ‘hoewel veeltijds toegelaten in de gemeenschap van de godzaligen’ – het christendom bevlekken en de oprechten bedroeven. Intussen kwam Evangelist bij hen lopen. Deze hield hen voor dat ze nog niet buiten het bereik van de duivel waren en vermaande hen te blijven geloven in de dingen die voor hen nog onzichtbaar waren.

Zodra ze uit de woestijn kwamen, zagen ze een stad: IJdelheid. In de stad werd kermis gehouden. Op de IJdelheidskermis was veel te zien: huichelarij, bedrog, schouwspelen, dansen en springen, gekken, apen, boeven, moordenaars, overspelers, meinedigen. De heer van de kermis, Beëlzebub, nodigde ieder uit om van zijn ijdelheden te kopen. De pelgrims trokken door de stad. De waren die hier geveild werden, achtten ze van geen belang. Toen iemand hen vroeg wat ze wilden kopen, antwoordden ze: ‘Wij kopen de Waarheid’. Sommigen die dit hoorden, staken er de gek mee, anderen beschimpten hen, weer anderen spraken verachtelijk over hen. Er kwam een grote opschudding. De pelgrims werden geslagen en in boeien gezet tot een schouwspel voor al de kermisgasten. De grootvorst van de kermis lachte om wat hen overkwam. Op een gegeven moment raakten de toeschouwers in handgemeen onder elkaar. Christen en Getrouwe werden aangeklaagd als schuldig aan oproer en gevangen gezet. Toen ze enige tijd later voor de rechtbank verschenen, beschuldigde Deugdhater hen dat ze afbrekers van de handel waren, oproer en verdeeldheid hadden aangericht en enigen hadden overgehaald tot hun gevaarlijke inbeeldingen en tot verachting van de weg van hun vorst. Drie getuigen traden hierop naar voren: Nijd, Bijgeloof en Mooiprater. Nijd wierp Getrouwe schijnheiligheid voor de voeten. Bijgeloof zei dat hij de pest is onder het volk, want hij had gezegd dat zijn geloof niet deugde en God niet kon behagen. Mooiprater verweet hem Beëlzebub te verachten. Getrouwe werd veroordeeld, gegeseld, met messen en zwaarden gestoken, gestenigd en aan een paal verbrand. Toen zijn tegenstanders met hem klaar waren, werd hij onder het geluid van bazuinen opgenomen tot in de poort van de hemel. Christen werd teruggestuurd naar de gevangenis. ‘Maar Hij, Die alle dingen regeert en de kracht van hun woede in Zijn eigen handen heeft, beschikte het zo, dat Christen ontkwam en zijns weegs ging.’ Christen kreeg Hoop als metgezel. Enige tijd later liepen Bijbedoeling, Geldbeminnaar, Albehouder, Wereldvriend een stukje met hen op. Toen na een lang gesprek bleek, dat ze Christen en Hoop niet konden overtuigen van hun gelijk, scheidden zich hun wegen. Christen en Hoop kwamen door een vlakte en zagen een oud gedenkteken. Het bleek de zoutpilaar te zijn waarin Lots vrouw veranderde toen zij met een gierig hart omzag naar Sodom, waaruit zij, om behouden te worden, was gevlucht. Toen ze hun weg vervolgden, kwamen ze aan een mooie rivier. Ze rusten er uit, dronken van het water van deze rivier dat zeer verkwikkend was en hun vermoeide geest deed herleven, en aten van de vruchten van de bomen langs de rivier. Verder gaand, zagen ze naast de weg een weide met een bijpad waarop IJdel Vertrouwen liep. Deze zei hen dat het pad naar de poort van de hemel leidde. Christen en Hoop volgden hem. Plotseling viel IJdel Vertrouwen in een diepe kuil, daar door de Vorst van het land gemaakt om ijdel roemende dwazen daarin te doen storten. Hij werd door zijn val verbrijzeld. Christen en Hoop hoorden een stem die hen opriep langs dezelfde weg terug te keren. Ze gaven er gehoor aan, maar konden, omdat het inmiddels donker was geworden, de hoofdweg niet terugvinden.

Ze kwamen bij kasteel Twijfel. De eigenaar ervan, de reus Wanhoop, greep hen en wierp hen in een duister, stinkend hol. Op advies van zijn vrouw, Ongeloof, roste hij hen zo vreselijk af, dat ze niet meer konden staan. De volgende dag zei hij hen dat er geen andere weg voor hen open was dan een eind aan hun leven te maken. Ze weigerden dit en smeekten hem hen te laten gaan. Tevergeefs. Wanhoop liet hen in de kerker achter. De gevangenen brachten de nacht met bidden door. Plotseling realiseerde Christen zich dat hij de sleutel tot de vrijheid in zijn hart droeg: Belofte. Hij pakte deze en opende de deur. Christen en Hoop zetten hun reis voort en kwamen aan de Liefelijke Bergen. De herders daar, Kennis, Ervarenheid, Waakzaam en Oprechte, gaven hen te eten en onderdak. De volgende dag lieten ze hen het landschap zien, gaven hen inlichtingen over de weg en adviseerden hen zich te hoeden voor pluimstrijkers en niet te slapen op de Betoverde Grond. Christen en Hoop wandelden de bergen af en ontmoetten Onkunde die uit het land Inbeelding kwam. Deze zei hen: ‘Volg de godsdienst van jeland; ik zal de mijne volgen; wat de poort betreft, ieder weet dat ze zeer ver is van onze provincie’. Ook zagen ze Kleingeloof, die weinig moed toonde en atheïst, die hen uitlachte toen ze vertelden op weg te zijn naar de berg Sion. Aangekomen op Betoverde Grond werden hun ogen zwaar van slaap. Om slaperigheid te voorkomen begonnen ze een geestelijk gesprek. Na enige tijd voegde Onkunde zich weer bij hen. Christen probeerde hem de betekenis van het geloof uit te leggen. Op een gegeven moment verzuchtte Onkunde: ‘Jullie lopen zo hard. Ik kan jullie niet bijhouden; het beste is maar dat jullie vooruitgaan; ik zal wel achteraan komen.’ ‘Wel Onkunde!’

Wordt vervolgd…