Herhaaldelijk riep hij uit: ‘Wat moet ik doen?’ Zijn vrouw en kinderen begrepen niet veel van zijn verdriet en dachten dat hij gek was geworden. Ze probeerden zijn sombere stemming te verdrijven door hard en koel tegen hem op te treden: de een lachte hem spottend uit; een ander zei dat hij zich moest schamen; allen lieten hem, zonder een woord van begrijpende liefde te spreken, over aan zijn lot. Christen trok zich terug in de eenzaamheid van zijn kamer, waar hij voor hen bad en hun gemeenschappelijk lot bejammerde. Ook ging hij vaak een stukje wandelen, in stil gebed of in een boek verdiept. Zo gingen de dagen voorbij met altijd weer dezelfde zorgen. Toen hij eens aan het wandelen was en als naar gewoonte een open boek in zijn handen had, zag hij een man op hem afkomen. Deze heette Evangelist. ‘Waarom huil je?’ vroeg Evangelist. ‘Omdat dit boek me zegt dat dood en naderend oordeel me wachten en ik ben op geen van beide voorbereid.’ Daarop haalde Evangelist een perkamenten rol voor de dag en ontrolde deze. De volgende woorden stonden erop: ‘Vlucht voor de komende toorn.’

Toen Christen dit las, smeekte hij de man hem te zeggen waarheen hij vluchten moest. De man wees met de vinger in de verte. ‘Zie je daar dat poortje?’ Ga er naar toe. Als je aanklopt, zal je gezegd worden wat je moet doen.’ Christen ging op weg. Zijn vrouw en kinderen zagen hem gaan en begonnen te roepen dat hij terug moest keren. Hij stopte zijn vingers in zijn oren en riep: ‘Leven! leven! eeuwig leven!’ Hij keek niet meer om en versnelde zijn pas. De buren zagen hem lopen en begonnen met hem te spotten. Sommigen wierpen hem scheldwoorden na en anderen schreeuwden, dat hij wijs moest zijn en terugkeren. Twee van hen, Halsstarrig en Plooibaar, besloten hem desnoods met geweld terug te halen. ‘Wat zoek je toch en waarvoor zou je zelfs deze bloeiende wereld willen prijsgeven?’ vroeg Halsstarrig. ‘Ik zoek een erfenis die in de hemel bewaard wordt en daar veilig is en die op een bepaalde tijd gegeven zal worden aan hen die haar zochten. Hier, lees er zelf maar eens over in dit boek.’ ‘Weg met je boek. Ga met mij mee’, riep Halsstarrig. Christen weigerde. Plooibaar gaf aan er iets voor te voelen mee te gaan met Christen en vroeg hem: ‘Weet je de weg wel?’ ‘Ja, Evangelist heeft me die gewezen’, antwoordde Christen. Halsstarrig ging terug naar huis en Plooibaar ging met Christen mee, omdat het hem geen slecht vooruitzicht leek. Onderweg vroeg Plooibaar aan Christen hem iets meer te vertellen over wat hem zoal bezig hield. Christen zei dat hem meer een innerlijk gevoel dan een heldere voorstelling dreef en las voor uit het boek dat hem inspireerde.

Plotseling raakten ze verdwaald in een moeras, Wankelmoedigheid geheten. Plooibaar kwam snel weer op het droge, aan de kant van stad Verderf. Hij was boos: ‘Is dat nu wat je me al die tijd voorgespiegeld hebt. Als onze tocht zo jammerlijk begint, wat moet dan straks het einde zijn?’ Hij ging terug. Bij zijn thuiskomst werd hij als een wijs man geprezen. Christen raakte door het zware pak op zijn rug dieper en dieper in het moeras verzonken.Gelukkig kwam een man naar hem: Helper. Deze trok hem op het droge en vertelde dat het moeras was ontstaan door de twijfel van zondaren, een twijfel die ontstond na tegenslagen. Eenzaam vervolgende Christen zijn weg. Bij een kruising ontmoette hij Wereldwijs. Deze woonde in de stad Zinnelust, een grote stad dicht bij de plaats waar Christen zelf woonde. Wereldwijs adviseerde hem de last die op hem drukte van zich af te werpen en te genieten van het leven. Christen las hem voor uit zijn boek. Triomfantelijk zei Wereldwijs: ‘Wees toch nuchter en wordt wereldwijs. Je verlangt van een zware last bevrijd te worden. Wel, ga naar het dorpje Zedelijkheid even verder op. Daar woont Wettisch. Ga hem eens raadplegen.’ Christen volgde het advies op. Onderweg naar het dorp kwam hij Evangelist tegen. Die vroeg: ‘Waarom heb je de goede weg al zo snel verlaten?’ Christen vertelde dat hij de raad van Wereldwijs had opgevolgd. Daarop antwoordde Evangelist: ‘Wereldwijs is verzot op alles wat de wereld aan wijsheid oplevert; daarom gaat hij altijd naar de kerk in het dorp Zedelijkheid. De leer en prediking waarin het minst over het kruis wordt gesproken, trekt hem het meest aan. Omdat hij zo wereldsgezind is, probeert hij je van mijn wegen die goed zijn af te lokken. Hij stuurde je naar Wettisch. Maar deze kan je niet van je last bevrijden. Nooit is iemand door hem vrij geworden. Wettisch is een bedrieger en zijn zoon, Heer Hoffelijkheid, is met al zijn fijne en voorname vormen, een huichelaar.’ Christen luisterde naar Evangelist en keerde terug op zijn schreden.

Hij vervolgde zijn weg naar het poortje. Hij sprak niemand meer aan en duldde niet dat anderen hem ophielden. Na enige tijd kwam hij bij het poortje en klopte aan. Hij kreeg geen gehoor. Pas nadat hij verscheidene malen geklopt en geroepen had, vroeg een stem: ‘Wie is daar? Waar kom je vandaan? Wat wil je?’ Christen antwoordde: ‘Ik ben een zwaarbelaste zondaar op weg naar Sion. Ik kom uit de stad Verderf. Wilt u mij binnenlaten?’ ‘Van ganser harte’, antwoordde de eerwaardige man. Christen had nog nauwelijks een stap over de drempel gezet of Welwillendheid trok hem naar binnen. ‘Waarom doe je dat?’, vroeg Christen verschrikt. Welwillendheid verklaarde: ‘Er is hier vlak bij een groot kasteel dat van Beëlzebub is. Als iemand op het punt staat deze poort binnen te gaan, maken Beëlzebub en zijn trawanten zich gereed om de boog te spannen in de hoop dat hun vurige pijlen de reiziger zullen treffen voor hij de deur is binnengegaan.’ Nadat Christen van zijn wederwaardigheden had verteld, wees Welwillendheid recht voor zich uit en zei: ‘Zie je die smalle weg daar? ’Dat is het pad dat je van nu af aan moet volgen. Het is de weg die door de profeten, Christus en zijn apostelen gebaand is: een smalle rechte weg.’ ‘Zijn er geen bochten of afslagen in die weg?’ vroeg Christen. ‘Hij heeft veel zijwegen’, antwoordde Welwillendheid, ‘maar die zijn allemaal breed en kronkelig. Je zult merken dat je die niet moet volgen.’ Christen zette zijn tocht naar de hemelstad voort. Hij ontmoette Uitlegger die hem inwijdde in het christelijk geloof. Uitlegger liet hem een schilderij zien waarop een man stond afgebeeld die opkeek naar de hemel, een kroon op zijn hoofd en de wereld achter zich. Alleen zulke mensen hebben een plaats bij de Heer, zei Uitlegger. Vervolgens nam hij Christen mee naar een stoffige kamer. Een man probeerde stof weg te vegen, maar het werd alleen maar viezer. Uitlegger gaf een vrouw opdracht wat water te sprenkelen, zodat er zonder problemen schoongemaakt kon worden. Uitlegger vertelde: de man is de wet; de wet maakt een mens bewust van zonde; de vrouw is het evangelie; het evangelie zorgt ervoor dat de christen voor de zonde (het stof) terugdeinst. Uitlegger nam Christen nu mee naar een kamer waar twee kinderen zaten, Lijdzaamheid en Hartstocht. Hartstocht (de wereld) keek boos omdat hij dingen wilde hebben die hun over een jaar waren beloofd. Hij kreeg wat hij wilde en lachte Lijdzaamheid uit. Maar Lijdzaamheid kreeg een jaar later zijn deel en verkreeg daarmee de eeuwigheid, terwijl Hartstocht niets dan vodden over hield. Na dit gezien te hebben, troonde Uitlegger Christen mee naar een plaats waar een open haard brandde. Een man goot water op het vuur, maar het vuur ging steeds harder branden. Dit kwam omdat aan de andere kant iemand steeds een beetje olie op het vuur gooide. Het vuur, zo zei Uitlegger, is de Heilige Geest en de olie is Christus die steeds weer het vuur van de Heilige Geest doet opvlammen. Christen en Uitlegger trokken weer verder.

Ze kwamen nu bij een groot, mooi paleis. Mensen liepen in het goud op het dak. Voor het paleis stonden mensen die niet naar binnen durfden. Een man schreef de namen op van hen die naar binnen gingen. Christen hoorde het vrolijke zingen van hen die binnen waren. Uitlegger en Christen zetten hun tocht voort. Ze kwamen in een donkere kamer, waar een man in een ijzeren kooi zat. Christen praatte met hem. Hij kwam zo te weten dat de man alles verbeurd had, omdat hij God moedwillig genegeerd en beledigd had. Als laatste liet Uitlegger Christen een man zien die net uit zijn droom wakker was geworden. De man trilde, want hij had gedroomd over de oordeelsdag en gezien dat hij er niet klaar voor was en dat de hel zich voor hem opende. Christen nam alles wat hij gezien had mee in zijn hart en vervolgde vol goede moed zijn weg. Hij liep over een smalle  weg tussen twee muren, Verlossing geheten, en kwam bij het kruis. Toen hij naar de persoon die aan het kruis hing keek, viel het zware pak dat hij nog altijd meezeulde (zijn zonden) van zijn rug in een geopend graf. Christen kon zijn geluk niet op. Er kwamen drie engelen. De eerste zei: ‘Je zonden zijn je vergeven’ en gaf hem een teken op zijn voorhoofd. De tweede gaf hem een nieuw wisselkleed en de derde een boekrol. Met zijn geschenken vervolgde hij zijn tocht. Op een gegeven moment zag hij drie mannen: Dwaas, Luiaard en Verwaand. Ze waren geketend en lagen te slapen. Christen maakte hen wakker en zei dat hij een manier wist om van boeien bevrijd te worden. Ze luisterden niet. Ze zagen geen gevaar…

Wordt vervolgd…